FNV spreekt plotseling taal van bedrijfsleven

Gaat de vakcentrale FNV een nieuwe glorietijd tegemoet of luidt de fusie tussen Dienstenbond en Industriebond juist de ondergang in? Binnen de FNV, die volgende week haar twintigjarig bestaan viert, voert optimisme de boventoon. Schaalvergroting maakt de middelen vrij om de positie van de vakbeweging te versterken. Buitenstaanders plaatsen echter kanttekeningen: “In deze vorm haalt de FNV het jaar 2000 niet.”

Het lijkt op vloeken in de kerk. Vakbonden die praten over schaalvergroting, over economische slagkracht en 'terug naar de kernactiviteiten' - de geluiden die opklinken rond de fusieplannen van vier FNV-bonden lijken eerder in het bedrijfsleven thuis te horen dan in de vakbeweging. Maar vakbondsbestuurders zijn zich de laatste jaren dan ook steeds meer als managers gaan gedragen: voor oude vijandbeelden en holle retoriek is geen plaats meer, de leden zijn kritische consumenten geworden die kwalitatief hoogstaande dienstverlening eisen. Wil de FNV daaraan kunnen voldoen, dan moeten geld en mankracht veel beter worden ingezet dan nu het geval is.

Terwijl volgende week het twintigjarig jubileum van de FNV (voortgekomen uit NVV en NKV) wordt gevierd, staat de grootste vakcentrale van Nederland voor de meest ingrijpende reorganisatie in haar bestaan. De fusieplannen van de Industriebond en de Dienstenbond lijken een kettingreactie te veroorzaken nu ook de Voedingsbond en de Vervoersbond aan de onderhandelingstafel zijn aangeschoven. Als de mega-fusie slaagt, ontstaat een nieuwe vakorganisatie met een half miljoen leden. De grootste vakbond die Nederland ooit heeft gehad. Ook in de collectieve sector zijn de FNV-bonden in beweging: AbvaKabo overlegt met de onderwijsbond ABOP en de Politiebond of nauwere samenwerking mogelijk is.

Voor de leden kunnen de fusies heel goed uitpakken. Door op centraal niveau mensen en middelen te combineren, kunnen op decentraal niveau de belangen van werknemers beter behartigd worden. Nu CAO's steeds vaker de mogelijkheid bieden om de arbeidsvoorwaarden per bedrijf te laten variëren, is het belangrijk dat de vakbond over voldoende mensen beschikt om in elke onderneming apart onderhandelingen te voeren. Gebeurt dat niet, dan leggen bedrijven de regelingen alleen in hun eigen voordeel uit, zo blijkt nu al in de praktijk. Mankracht is het grote struikelblok, zelfs bij een grote bond als de Industriebond. “Wat heb je aan een paar honderd bestuurders als je bij duizenden bedrijven over de arbeidsvoorwaarden moet overleggen?”, zegt een oud-vakbondsbestuurder.

Of ook de vakcentrale FNV uiteindelijk gelukkig zal zijn met de fusiebewegingen is nog de vraag. Zoals het er nu uitziet, bestaat de FNV straks uit twee grote bonden - één voor de marktsector en één voor de collectieve sector - die elk ongeveer 500.000 leden vertegenwoordigen. Daarnaast blijft er een aantal kleine, categorale bonden over (kappersbond, journalistenbond) die samen circa 200.000 leden organiseren. “Die twee grote bonden zullen straks zoveel mogelijk in eigen beheer willen doen. Dan is de vakcentrale FNV er feitelijk alleen nog voor die kleine bonden. Dat werkt niet. Ik zie daarom geen toekomst meer voor de centrale in deze vorm”, zegt dr. Jelle Visser, als docent verbonden aan de vakgroep sociologie van de Universiteit van Amsterdam.

Volgens Visser zullen de verhoudingen tussen de bonden onderling en tussen de bonden en de overkoepelende vakcentrale onherroepelijk veranderen. “Een nieuwe, gefuseerde bond zal zich een nieuwe identiteit moeten aanmeten. Dat doe je het beste door je ergens tegen af te zetten. Er zat altijd al een zekere spanning tussen AbvaKabo en Industriebond, omdat de Industriebond het gevoel had dat zij de kolen uit het vuur moest halen, terwijl de AbvaKabo alleen maar hoefde te volgen. Ik voorspel dat daar een soort breuklijn gaat ontstaan.”

Ook Roel de Vries, voorzitter van de Bouw- en Houtbond, zet vraagtekens bij de toekomstige rol van de vakcentrale. De Vries: “Johan Stekelenburg is positief over de ontwikkelingen. De bestaanszekerheid van de FNV wordt volgens hem vergroot door de fusie. Ik heb daar twijfels over. Het kan goed zijn dat de AbvaKabo en de nieuwe marktbond een eigen centrale gaan vormen voor de nationale en internationale belangenbehartiging. Het minste wat je ervan kunt zeggen is dat de huidige rol van de vakcentrale dan niet meer hetzelfde zal zijn. Is er in zo'n nieuwe FNV nog plaats voor federatiebestuurders of slechts voor één voorzitter? En wat is de positie van al die kleine bonden die nu nog deel uitmaken van dé FNV?”

Naar buiten toe stralen zowel de vakcentrale als de betrokken bonden vooralsnog echter louter optimisme uit. FNV-voorzitter Johan Stekelenburg ontkent in alle toonaarden dat er mini-vakcentrales binnen de vakcentrale dreigen te ontstaan. Ook de voorzitters van de vier bonden hameren op het belang van een overkoepelende vakcentrale. Intern leeft echter wel degelijk de angst dat de fusiegolf de FNV zal 'opblazen'. “Die vrees leeft overal, ook bijvoorbeeld bij de Industriebond. Men hecht sterk aan onderlinge coördinatie, vooral tussen markt en niet-markt. Dat united we stand wordt straks veel moeilijker”, zegt een ingewijde.

Pag.18: 'Anita Meijer komt al snel op'

Er mogen nog vele beren op de weg liggen, de huidige trend naar schaalvergroting is volgens alle gesprekspartners onvermijdbaar. André Kloos, de verre voorganger van FNV-voorzitter Johan Stekelenburg, ontvouwde ruim een kwart eeuw geleden al zijn beeld van een ideale vakbeweging. Kloos voorzag een economie waarin werknemers steeds vaker zouden overstappen van de ene naar de andere bedrijfstak. Hij wilde de bedrijfsbonden van het toenmalige NVV (de voorloper van de FNV) onder één en dezelfde grote paraplu van een ongedeelde vakcentrale brengen. Kloos vocht tegen het conservatisme bij een aantal bonden, die hun autonomie wilden behouden en verloor. Het Plan Kloos uit 1969 werd nooit werkelijkheid.

Kloos was een visionaire bestuurder. Hij was niet alleen voorstander van een andere structuur van de vakbeweging, maar bepleitte ook een andere vorm van belangenbehartiging: dichtbij de leden. “L'histoire se répète”, zegt Paul Andela, voorzitter van de Voedingsbond FNV. “De analyse van toen is nog steeds actueel en zet nu versterkt door. Dat juist de Dienstenbond FNV de aanzet heeft gegeven tot de huidige fusiebesprekingen is geen toeval. Die bond heeft meer dan welke andere bond ook te maken met concentratie van ondernemingen. Rabobank samen met de Robeco Groep, ABN AMRO, de ING Groep. De totstandkoming van de Europese Unie versterkt deze concentratietendens. Steeds meer ondernemingsbesluiten worden op Europees niveau genomen. Aan de andere kant vragen de leden heel herkenbare belangenbehartiging, dichtbij de werkplek. Dat betekent dat een bond als de Dienstenbond zowel sterk moet zijn op decentraal als op internationaal niveau om een serieus tegenwicht te kunnen vormen voor de werkgevers. Daar is geld voor nodig. Veel geld.”

Geld dat de Dienstenbond in onvoldoende mate bezit. De Industriebond FNV heeft dat geld wel. Die bond heeft in de goede oude tijden een aardig vermogentje bij elkaar gespaard, waar het nog jaren op kan teren. De vijver waarin deze bond vist, wordt echter voortdurend kleiner. Eens zo personeelsrijke ondernemingen als Hoogovens stoten nu werknemers af of zijn ter ziele gegaan (RSV, Fokker). En door uitbesteding (catering, schoonmaak, uitzendwerk) verdwijnen arbeidsplaatsen naar andere sectoren, die onder de paraplu van een andere bond vallen. In dit geval: de Dienstenbond FNV. En die heeft geen geld om te investeren in ledenwerving en kadervorming. Zo draait de vakbeweging al jaren rond in een vicieuze cirkel.

Individuele belangenbehartiging heeft de plaats ingenomen van collectieve maatschappelijke acties. Nog niet zo lang geleden, in de jaren zeventig en tachtig, stond de vakbeweging op de bres voor het behoud van allerlei zekerheden. Bij het minste of geringste voorstel van Haagse politici om te beknibbelen op uitkeringen stroomden de Dam en het Malieveld vol. Daar hielden charismatische vakbondsbestuurders als Herman Bode en Jaap van de Scheur gloedvolle betogen. “Nu spreekt een heel wat minder bekende bestuurder als Ties Hagen of Henk Krul twaalf volzinnen en wordt dan afgelost door Anita Meyer”, zegt beleidsmedewerker Kees Korevaar van de Industriebond FNV. Volgens Korevaar is het voor de vakbeweging niet meer zo belangrijk om charismatische leiders te hebben. De meeste leden zijn mondig en zelfstandig en zitten er helemaal niet op te wachten om toegesproken te worden vanaf een sinaasappelkistje.

Bovendien zegt de aantasting van oude zekerheden veel van die leden (jongeren, hoogopgeleiden) helemaal niets meer. Zij hebben geen behoefte aan restauratie van oude zekerheden, maar behoefte aan nieuwe zekerheden. Korevaar: “Een snel toenemend aantal leden is in de eerste plaats geïnteresseerd in een betere vakopleiding, in vernieuwing en innovatie binnen bedrijven, in werknemersparticipatie, het kunnen beginnen van een eigen bedrijf. Dat vraagt een ander smoelwerk van de vakbond: een bond die investeert in de weerbaarheid van leden. De vakbeweging wordt heen en weer geslingerd tussen het behoud van wat we vroeger aan zekerheden hadden en de nieuwe rol waarin we door de omstandigheden worden gedwongen. We worden gedwongen zakelijker en commerciëler te denken. We willen niet tenondergaan, zoals de mammoet.”

De fusiebesprekingen tussen de FNV-bonden worden ook aan werkgeverszijde met meer dan gemiddelde interesse gevolgd. “De ontwikkelingen binnen de vakbeweging lijken op die bij ons”, aldus VNO-NCW-voorzitter Hans Blankert. “Vakbonden passen hun interne organisatie aan de veranderde omstandigheden aan. De vanzelfsprekendheid van het lidmaatschap is weg. Aangesloten leden willen dat je als organisatie een herkenbaar produkt aanbiedt. Ze willen wel lid zijn, maar willen daar ook wat voor terug zien. Die verzakelijking zie je zowel aan werkgevers- als aan werknemerszijde. Dat zijn parallelle processen.”

Ook werkgevers hebben er belang bij dat er onder in de organisatie, waar het directe contact met de klant bestaat, sprake is van efficiënte en goede dienstverlening. Werknemers van hun kant willen meer verantwoordelijkheid, zelfstandigheid en zeggenschap. Volgens Korevaar wordt de emancipatie van de werknemer hèt thema voor de toekomst. “De bond wordt weer een emancipatiebeweging.” Emancipatie niet zozeer van het collectief (dé werknemer als groep), maar van het individu.

Martin Spanjers, de voorzitter van de Dienstenbond FNV, spreekt van Union Resources Management, de vakbondspendant van de managementterm Human Resources Management. Ook hij ziet de emancipatie van de werknemer als doel van de moderne vakbeweging. “Het gat tussen de camping en de bedrijfsvloer moet worden gedicht”, aldus Spanjers. “Mensen moeten zich net zo thuis voelen op hun werk als op de camping. In hun privéleven regelen ze alles zelf. Waarom zouden ze op het werk dan als onzelfstandigen worden behandeld?”

Veel werkgevers - bijvoorbeeld in de metaalsector - gruwen van het idee dat de vakbond op bedrijfsniveau een sterke positie krijgt. Vakbonden moeten zoveel mogelijk buiten de deur blijven, voor interne aangelegenheden overlegt men bij voorkeur alleen met de ondernemingsraad. Hoewel de relatie tussen vakbonden en ondernemingsraden de laatste jaren sterk is verbeterd, is de vakbeweging er veel aan gelegen om ook op decentraal niveau aanwezig te zijn.

Als de fusies tussen de verschillende FNV-bonden goed uitpakken, levert dat een geweldige impuls op voor de vakbeweging. Sommige bondsvoorzitters dromen al van een verdubbeling van het ledenbestand over tien jaar, van meer macht en leden die als tevreden klanten hun maandelijkse contributie overmaken. Anderen maken zich zorgen verdrukt te raken tussen het fusiegeweld en vrezen dat in een mega-bond alles tot eenheidsworst zal worden vermalen. “Het is alles of niets”, zegt een oud-vakbondsbestuurder. “Als het goed uitpakt, is het fantastisch. Als het slecht uitpakt, is het een ramp.”