Decaan krijgt machtige positie

ROTTERDAM, 31 AUG. In de nieuwe bestuursstructuur van de universiteiten zoals minister Ritzen (Onderwijs) zich die voorstelt, wordt de positie van de decaan aanzienlijk versterkt. Zowel het bestuur als het beheer van de faculteit komt onder zijn leiding te staan. Zijn huidige tegenspelers verdwijnen. Hij heeft niet meer te maken met een meerhoofdig faculteitsbestuur en aan een faculteitsraad is hij geen verantwoording meer verschuldigd.

Ritzen wil tot een efficiëntere bestuursorganisatie van de Nederlandse universiteiten komen, met duidelijke, hiërarchische gezagslijnen. De Tweede Kamer behandelt volgende week een wetsvoorstel hiertoe, de wet op Modernisering van de Universitaire Bestuursorganisatie (MUB). Direct onder de verantwoordelijkheid van de minister komt een door hem benoemde Raad van Toezicht, daaronder het College van Bestuur en dan het bestuur op faculteitsniveau.

“Het is onontkoombaar dat de decaan-nieuwe stijl een beroepsdecaan wordt, want het takenpakket wordt veel te omvangrijk om het 'erbij' te doen”, zegt prof. dr. L. Noordegraaf, decaan van de faculteit der Letteren van de Universiteit van Amsterdam. “Ikzelf zou dat zeker niet ambiëren, want ik wil met mijn vak bezig zijn.”

Daarmee spreekt Noordegraaf de vrees uit dat het de universiteitsbesturen niet zal meevallen geschikte beroepsdecanen te vinden. Noordegraaf: “Ik denk niet dat de huidige hoogleraren zo snel hun onderzoeks- en onderwijstaken willen loslaten. Ik ben toch ook geen hoogleraar geworden om de faculteit te besturen? Het is in de huidige opzet al moeilijk om mijn bestuurlijke verantwoordelijkheden te combineren met mijn eigenlijke vak.”

Ook de Leidse decaan van de faculteit der rechtsgeleerdheid, prof. dr. H. Franken, ziet problemen in het werken met een 'beroepsdecaan'. Franken: “De leiding moet absoluut bij een hoogleraar liggen. Dat kan hij zoals nu voor twee, drie jaren best doen, om daarna weer terug in de wetenschap te stappen. In de MUB wordt een fulltime decaan voorgesteld voor een periode van vier, vijf jaren, plus een eventuele verlenging. Dat is veel te lang, want hij zal het contact met zijn vak en zijn faculteit verliezen. Hij heeft bovendien geen tijd om tijdens zijn decanaat het vak bij te houden. Het is sowieso onzinnig om er een professionele manager alleen voor te zetten. Een onhandige doctorandus of een mislukte hoogleraar is niet toegerust om een professionele faculteit te besturen. Wij opteren voor een driekoppig bestuur onder leiding van een gerenommeerde hoogleraar, bijgestaan door een wetenschappelijk medewerker en een manager voor de bestuurlijke ondersteuning.”

Noordegraaf ziet ook een positieve kant aan de voorstellen. De MUB komt volgens hem de professionaliteit en de continuïteit van het bestuur ten goede. “Nu is het zo dat elke drie, vier jaar met de benoeming van een nieuwe decaan het wiel telkens opnieuw moet worden uitgevonden.”

Personele problemen van andere orde voorziet prof. dr. R. in 't Veld, kortstondig staatssecretaris van Onderwijs en tegenwoordig, onder veel meer, hoogleraar bestuurskunde aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Hij uitte al eerder twijfels over de nieuwe 'beroepsdecaan'. De checks en balances ontbreken, waarschuwt hij, en of de beroepsdecaan te vinden is waagt hij te betwijfelen. “Die mensen moeten voldoen aan criteria waaraan alleen God zelf voldoet.”

In het huidige stelsel bestaat elk faculteitsbestuur, het dagelijks bestuur van de faculteit, uit maximaal vijf personen, onder wie één student en één niet-wetenschapper. Het bestuur wordt gekozen door de faculteitsraad, het algemeen bestuur van de faculteit. De decaan, een hoogleraar uit de eigen faculteit, fungeert als voorzitter en wordt voor tenminste drie jaar aangesteld. Het faculteitsbestuur stelt onder meer examencommissies aan en houdt toezicht op de onderwijs en de wetenschapsbeoefening. Het is verantwoording verschuldigd aan de faculteitsraad. Als het aan Ritzen ligt komt de algemene leiding van de faculteit in handen van één persoon, de decaan. Hij ressorteert direct onder het College van Bestuur, aan wie hij verantwoording moet afleggen. De faculteitsraad mag blijven bestaan maar krijgt alleen instemmings- en adviesrecht.

Toch hebben de universiteiten zelf vertrouwen in de plannen. De vereniging van universiteiten VSNU gelooft dat het stelsel met een beroepsdecaan goed kan werken. “Dat systeem komt niet maar uit de hemel vallen, op een aantal universiteiten is met beroepsdecanen geëxperimenteerd, dat is goed bevallen”, aldus een woordvoerder. De Universiteit van Amsterdam is één van die universiteiten.

De Amsterdamse faculteit tandheelkunde heeft een half jaar geleden iemand 'van buitenaf' aangetrokken om zowel de faculteit als het Academisch centrum tandheelkunde professioneel te besturen. “Ik kom zelf ook uit de tandheelkundige wereld, ik ben tandarts, en ik heb twee mensen in mijn bestuur uit de faculteit”, zegt beroepsdecaan prof. dr. J.R. Bausch. Hij denkt dat die combinatie in de toekomst ook voor andere faculteiten een goede oplossing kan zijn. “Men zal bij het aantrekken van een beroepsdecaan meer moeten letten op diens bestuurlijke kwaliteiten dan nu het geval is. Een gerenommeerde Shell-directeur zou bij wijze van spreken heel goed een faculteit kunnen besturen, zonder dat daarbij de feeling met het vak verloren gaat. Dan moet hij wel over deskundige medewerkers beschikken.”

Prof. mr. dr. G. Knigge, decaan van de faculteit der rechtsgeleerdheid in Groningen heeft het wetsvoorstel goed gelezen, zegt hij. Naar zijn idee komt een faculteitsbestuur niet per definitie in handen van één persoon, de decaan. “De nieuwe wet laat de mogelijkheid open om opnieuw een college te benoemen, dat gezamenlijk de taken kan verdelen en ook samen de verantwoordelijkheid draagt”, zegt hij. “De Rijksuniversiteit Groningen is daar een voorstander van. Het is veel beter om een collegiaal bestuur vanuit de faculteit in te stellen dan om een beroepsbestuurder van buitenaf te benoemen. Maar wellicht dat grotere faculteiten dan de onze juist gebaat zijn bij een professionele manager. Ikzelf heb als amateurdecaan nog voldoende tijd over voor mijn werkzaamheden op de vakgroep strafrecht.”