DE SCEPSIS EN DE DROEFENIS VOORBIJ

De humeurige ploegleider is niet meer, hij is een montere manager geworden. Zijn leven bestaat tegenwoordig uit autorijden en telefoneren, het peloton rijdt op gepaste afstand. Jan Raas (43) is het brein achter de successen van de Raboploeg. Ondertussen houdt hij toezicht op de komende wielergeneratie. “Er zit tenminste weer een beetje muziek in.”

Twee vraaggesprekken in nog geen anderhalf jaar tijd. Als Jan Raas wordt geconfronteerd met citaten uit het eerste interview, geeft hij blijk van herkenning. Het waren sombere tijden, toen hij nog ploegleider was van de Novell-formatie en zijn coureurs nauwelijks meer kon motiveren. Er deugde weinig van de nieuwe lichting wielrenners, beweerde hij destijds. Hij koesterde weinig hoop dat de nabije toekomst er beter uit zou zien. Het was een beetje een naargeestig gesprek, op die koude winterdag in het kille Zeeuwse land.

Zelfs de grootste wielerinsider kan zich vergissen. De scepticus van weleer is een gematigde optimist geworden. Raas vond een fantastische sponsor, de jeugd bleek minder verzadigd dan hij had voorspeld en de successen kwamen eerder dan gepland. “Er zijn een paar lichtpuntjes. Het gat wordt kleiner, je kunt de eerste symptomen zien. We zijn absoluut op de goede weg. Er zit weer leven in de Nederlandse wielersport. Dat moet ook wel, want we waren een paar jaar geleden op sterven na dood.”

Nooit te vroeg juichen, leerde de wielerkampioen Raas. Als manager waakt hij voor een euforische stemming. “Die ritzeges in de Tour zijn een leuke opsteker, maar kijk je naar de klassiekers dan tellen we nog helemaal niet mee. In de eendagswedstrijden komen we er nog niet aan te pas. Internationaal stellen we nog steeds weinig voor. Er valt nog bar weinig te juichen.

“We hebben een achterstand van een aantal jaren op de Italianen en die loop je niet zomaar in. Daar werken ze al veel langer met de jeugd, met hartslagmeters en noem de hele rotzooi maar op. Het is ook nooit onze intentie geweest om na acht maanden te kunnen zeggen dat we het gat hebben dicht gereden. We praten over een termijn van drie of vier jaar. Dan moeten we concrete resultaten zien. Ik wacht met smart op het eerste produkt. Een knaap die bij ons bij de junioren is begonnen, de overstap naar de amateurs heeft gemaakt en uiteindelijk in de Tour rijdt.”

De Rabobank is de eerste professioneel geleide Nederlandse wielersponsor die niet alleen aan de top maar ook aan de basis werkt. Nieuwelingen, junioren, amateurs: bij elke categorie past een begeleidingsteam, met aan het hoofd een ervaren oud-coureur. Als manager draagt Raas de eindverantwoordelijkheid, maar hij bemoeit zich zo min mogelijk met het wedstrijdverloop.

“Ik kan het sportieve aspect met een gerust hart aan de anderen overlaten. Ik bemoei me meer het samenstellen van de contracten, met het beleid op de langere termijn. Een ploegleider kan tegenwoordig niet meer alles alleen doen. Dat is mij de laatste jaren opgebroken. Ik had geen tijd meer voor de renners. En die hebben recht op een goed gesprek. Bij Theo de Rooy en Adri van Houwelingen krijgen ze de aandacht die ze verdienen.”

Raas beseft dat de renners hem een beetje beu waren. Ze hadden behoefte aan positieve geluiden, maar iemand complimenteren ligt nu eenmaal niet in zijn aard. Hij spreekt van een generatiekloof. De lof voor zijn opvolgers beschouwt hij niet als een trap na. “Waarom zou ik? Blijkbaar heb ik een goede keuze gemaakt met de nieuwe ploegleiders. Gelukkig hoeven we ons daarover deze winter geen zorgen meer te maken. Het raamwerk staat als een huis. We hebben mogelijkheden om iets moois op te bouwen.

“Ik krijg nog genoeg uitnodigingen om bij de wedstrijden aanwezig te zien, maar eerlijk gezegd heb ik er weinig behoefte aan om overal mijn neus te laten zien. Als er echt een groot probleem ontstaat komt het uiteindelijk toch op mijn bordje terecht. Maar ik bemoei me niet met de koersen. Theo en Adri hebben een nuchtere, gezonde kijk op de wielersport. Ik heb ze nog nooit op een grote tactische blunder kunnen betrappen.”

Raas spreekt zeer enthousiast over Frans Maassen, die als ploegleider van de junioren zijn passie voor de fiets probeert over te brengen op zijn mogelijke opvolgers. “Frans krijgt er steeds meer lol in. Hij kan goed overweg met de ouders en met de jonge knapen. Zijn komst was een schot in de roos. Ik heb veel vertrouwen in zijn manier van werken. Neem van mij aan dat hij de goede coureurtjes er snel weet uit te pikken. Als renner had hij alles al goed in de smiezen, als ploegleider kun je dan bijna niet meer stuk.”

De begeleiding van de jonge renners heeft Raas voor een belangrijk deel afgekeken bij Ajax. Voetbal is geen wielrennen, maar er zijn volgens de oud-speler van de Patrijzen genoeg raakvlakken. “Iedereen doet scoutingwerk bij ons. Ik ga zelf ook nog wel eens kijken bij koersen in de buurt. We hebben een databank, met namen van talentvolle rennertjes. Bij Ajax houden ze elk jaar een open dag. Wij hebben deze zomer in de Ardennen drie dagen testen gedaan met jonge knapen uit het hele land. Daar steek je heel veel van op.

“Ajax werkt ook met rapportcijfers. Op die manier krijg je een heel evenwichtig oordeel over een bepaalde renner. Als de test negatief uitvalt moet je vooral aan de ouders goed kunnen uitleggen waarom hun zoon tekortschiet. Voor die mensen is voetballen bij Ajax of wielrennen bij ons een soort droom. En die valt in duigen als hun kind wordt afgeserveerd. Aan de hand van zo'n rapport kunnen we zeggen: sorry, een andere keer beter. We houden je in de gaten maar op dit moment is er geen plaats voor je. Aan nazorg doen we niet. Topsport is keihard.”

In samenwerking met de sportkoepel NOC*NSF zorgen Raas en zijn helpers voor de studiebegeleiding van jonge renners. De betreffende ploegleiders zijn op de hoogte van de resultaten op school. Als Maassen een trainingskamp heeft gepland, moeten de leerlingen vrijaf krijgen. Tentamens worden zorgvuldig ingeroosterd, het internationale wielerprogramma laat weinig ruimte toe. “De school gaat voor de fiets”, zegt Raas. “Ik heb zelf ook drie zonen en weet hoe belangrijk een papiertje is.”

Naast alle positieve geluiden is er kritiek op de dominante rol die de Raboploeg inneemt bij de amateurs. Nico Verhoeven wordt argwanend aangekeken wanneer hij belangstellend informeert naar een jonge coureur van een concurrerende club. De grote broer zou het verpesten voor de kleintjes. Raas neemt zijn ploegleider in bescherming.

“Als Nico iemand wil aantrekken kan hij dat beter in het voorjaar doen. Dan hebben andere ploegen nog ruim de tijd om het verlies op te vangen. Er wordt gesuggereerd dat wij met geld rammelen bij de amateurs, maar dat is absoluut niet waar. Professionele begeleiding wil nog niet zeggen dat we betalen. Integendeel zelfs, ik durf te beweren dat er bij sommige amateurverenigingen meer met geld wordt gesmeten dan bij ons.”

Bij de beroepsrenners wordt vooral met bewondering gekeken naar de professionele structuur van de Raboploeg. Buitenlandse kranten gaven aandacht aan de nieuwe Nederlandse wielerploeg. De televisiebeelden werden deze zomer beter bekeken dan de voorgaande jaren. Publicitair ging het de oranje getinte formatie bijna altijd voor de wind.

“Dat hebben we vooral aan de veldrijders te danken. Adri van der Poel en Richard Groenendaal trokken in de wintermaanden de nodige aandacht. Dankzij de crossers kregen we naamsbekendheid, ook in het buitenland. Door de wereldtitel van Van der Poel konden we ook wat rustiger reageren op de teleurstellend verlopen klassiekers. Er was geen paniekreactie. Daarom ben ik zo blij dat we die veldrijders erbij hebben gehaald. Zij overbruggen een dooie periode.

“Na de klassiekers hebben we bewust gas teruggenomen. Zo waren de trainingsschema's afgestemd en daar moet je in blijven geloven. Hoewel de druk natuurlijk groter werd. Je wilt iets rechtzetten maar moet nog eventjes geduld hebben. Achteraf heeft die rustperiode goed uitgepakt. Iedereen was gefocust op de Tour, daar moest het allemaal gebeuren.”

Gezien de teleurstellende resultaten in het voorjaar had Raas zijn hoop gevestigd op de komst van Erik Zabel. Maar de Duitser verlengde zijn contract bij Telekom. “Zabel is niet alleen een heel goede sprinter maar ook iemand die in de klassiekers meekan. We gaan op zoek naar een vervanger, maar veel tijd hebben we niet meer. De meeste coureurs hebben al bijgetekend.

“Ik heb gelezen dat we interesse in Jeroen Blijlevens zouden hebben, maar zijn komst is nooit serieus overwogen. Ik heb wel eens met die jongen gesproken, daar hoef ik niet om heen te draaien, maar altijd in het achterhoofd dat we dan de mooiste renner bij een andere Nederlandse ploeg zouden wegsnoepen. Dat stond mij tegen. Het is een goede zaak dat er in Nederland meer goede ploegen zijn. Dan moet je niet de kopman wegkapen.”

In plaats van Zabel en Blijlevens tekende de 23-jarige sprinter Max van Heeswijk deze week een contract bij Raas. Toevallig of niet, in het shirt van Motorola won hij deze week een etappe in de Ronde van Nederland. “Een mooi manneke. Intelligente jongen ook, die weet wat hij kan. Hij kan aardig bergop. Als hij in een groepje overblijft kan hij zo een etappe winnen. Max heeft een goede babbel, daar zijn jullie ook bij gebaat. Wielrenners zijn van origine spontane mannen, daar heb ik de laatste jaren te weinig van terug gezien.

“Gelukkig hebben de jonge gasten ook weer zelfkritiek. Ze steken de hand in eigen boezem. Hiervoor hadden we een lichting - ik zal maar geen namen noemen - die altijd de oorzaak van het slechte presteren bij een ander zocht. Of het had te maken met de grote teen die dwars lag, weet ik wat ze allemaal verzonnen. Nu zit er weer een beetje spirit in. Dat zie je terug in het peloton. Zo'n Danny Nelissen was een verademing in de Tour. Hij heeft het lontje in het kruitvat geschoten. Niemand wilde voor hem onderdoen.”

De aanvallende rijstijl en de twee ritzeges in de Tour de France verdoezelen het gebrek aan goede Nederlandse ronderenners. Raas zocht zijn heil in het buitenland en contracteerde de Australische Nederlander Patrick Jonker en de Oostenrijker Peter Luttenberger, die met een zege in de Ronde van Zwitserland en een vijfde plaats in de Tour de France definitief lijkt doorgebroken.

“Jonker is belangrijk voor de sponsor. Door het gebrek aan goede Nederlandse ronderenners kom je al gauw bij de buitenlanders terecht. Patrick is een geboren Amsterdammer, die in de criteriums heeft gemerkt dat hij hier als een landgenoot wordt beschouwd. Daarom is hij een perfecte investering.

“Luttenberger had ik drie jaar geleden al in het vizier. Hij is elk jaar een stukje verbeterd. We hadden hem dit voorjaar willen inlijven tijdens de Ronde van Oostenrijk, maar logistiek ging er even iets mis. Na de successen van de afgelopen maanden is hij helaas een stuk duurder geworden. En terecht. Die jongen heeft iets in zijn mars, hoewel ik niet ga lopen verkondigen dat we een potentiële Tourwinnaar in huis hebben. Hij zal eerst zijn tijdrit moeten verbeteren.”