Consumptiedrang deed de oude Grieken uitwaaieren

Jan Paul Crielaard: The Euboeans Overseas. Long-distance contacts and colonization as status activities in early iron age Greece

Proefschrift Universiteit van Amsterdam 1996, 389 blz., geïllustreerd. Promotores: prof.dr. J.H. Crouwel en prof.dr. H.A.G. Brijder

In de achtste eeuw voor Christus stichtten verschillende Griekse steden kolonies in het Middellandse-Zeegebied. De handboeken oude geschiedenis geven hiervoor van oudsher twee verklaringen: plotseling toenemende bevolkingsdruk in het thuisland (al dan niet door droogte en hongersnood) en uitbreiding van handelsmarkten. Je ziet bij wijze van spreken hele drommen Grieken de boten instappen, als de geleerden vergelijkingen trekken met de Ierse volksverhuizing naar Amerika na de mislukking van de aardappeloogsten in het midden van de vorige eeuw. Verder roepen ze beelden op van negentiende-eeuwse koloniën en handelimperiums als ze Griekse koloniën als Pithekoussai voor de kust van Campanië handelsposten noemen.

Volgens archeoloog Jan Paul Crielaard van de Universiteit van Amsterdam worden deze opvattingen nauwelijks door feiten ondersteund. Er zijn, zo zegt hij, geen bronnen die een direct verband leggen tussen bevolkingsgroei en kolonisatie. Er zijn juist aanwijzingen dat kolonisatie slechts een kleinschalig verschijnsel was. Thucydides vermeldt dat de Chalkidiërs die zich op en bij Sicilië, Naxos, Leontinoi, Zankle en Rhegion vestigden, kolonisten van andere plaatsen moesten opnemen. En wat te denken van de oppervlakte van een kolonie als Naxos? “Tien hectare, slechts genoeg voor honderd tot tweehonderdvijftig mensen”, zegt Crielaard. Hij relativeert ook de 'handelscontacten' die de achtste-eeuwse Euboeërs, die als de eerste kolonisten gelden, gehad zouden hebben. Het 'economische' achterland van bijvoorbeeld Pithekoussai, dat in de handboeken 'een drukke handelshaven' en 'het westelijke hoofdkwartier van een uitgebreid Euboeïsch handelsnetwerk' wordt genoemd, strekte zich niet verder uit dan Vulci, aldus Crielaard. “Ten noorden hiervan waren economisch belangrijke, ijzerrijke gebieden, maar daar tref je geen Euboeïsch aardewerk aan. Pithekoussai diende dus niet als handelspost die de ijzertoevoer moest veiligstellen en er was zeker geen sprake van een netwerk, dat het hele Middellandse-Zeegebied omvatte.”

Crielaard, onlangs cum laude gepromoveerd, geeft in zijn proefschrift The Euboeans Overseas een nieuwe verklaring voor de stichting van de koloniën. Hij noemt onderlinge naijver bij de aristocratische elite van Euboea als belangrijkste drijfveer voor kolonisatie.

Klassieke auteurs als Thucydides, Herodotus en Strabo schrijven dat de Euboeïsche koloniën op Sicilië en in het zuiden van Italië werden gesticht ten tijde van de aristocratische Hippobotai (grondbezitters). Maar doordat zij geen ondubbelzinnige verbinding noemen, moest Crielaard in archeologische bronnen de bewijzen voor betrokkenheid van de elite bij kolonisatie zien te vinden. Wie, zonder te beschikken over geschreven bronnen, meer over de sociale verhoudingen in een maatschappij te weten wil komen, onderzoekt graven; de grootte van een graf en grafgiften geven daarover immers (in versterkte mate) informatie. Crielaard onderzocht daarom een groot aantal necropolen in het Middellandse-Zeegebied.

In de necropool van Lefkandi op Euboea, die in de jaren tachtig is opgegraven, onderscheidde hij graven van een elite, die zich vanaf de tiende eeuw voor Christus op een aparte plaats en op een afwijkende manier liet begraven. Dat gebeurde met statussymbolen als paarden, wielen van rijtuigen en zwaarden. Een goed voorbeeld van zo'n elitegraf is het 'krijger'-graf T79. In een schacht met een nis bevonden zich een bronzen urn, een ijzeren zwaard, een speerpunt, enkele messen, lokaal aardewerk, twee Phoenicische en Cypriotische flessen en een antieke Noord-Syrische cylinderzegel.

Toen Crielaard op Cyprus ook elitegraven aantrof en daar aardewerk van Euboea terugvond, kreeg hij het idee dat er sprake was geweest van aan de aristocratie voorbehouden 'lange-afstandscontacten'. Hij ziet weinig in de traditionele verklaring dat dergelijke contacten dienden om handel te drijven. “Daarvoor zijn de aantallen voorwerpen te klein.” Zich aansluitend bij recente ideeën uit de antropologie beschouwt hij in dit geval consumptiedrang, de behoefte om iets bijzonders te bezitten en dit aan anderen te laten zien, als de belangrijkste drijfveer om vreemde goederen te verwerven. “De vreemde voorwerpen in de graven hebben wat je een eigen geschiedenis zou kunnen noemen. Het was belangrijk hoe je er aan gekomen was - door wel of niet een verre reis te maken - en van wie je ze gekregen had. Daarmee kon je pronken, je onderscheiden en status afdwingen. De voorwerpen en daarmee de status kon je ook aan je kinderen doorgeven, zo blijkt uit kindergraven.”

Crielaard vond dezelfde soort elitegraven ook in de begraafplaatsen van de koloniën. Bijvoorbeeld in Cumae, ten westen van Napels, dat volgens de bronnen aan het eind van de achtste eeuw uit Euboea is gesticht. De vroegste elitegraven dateren uit dezelfde periode. Daarmee is volgens Crielaard de bemoeienis van de Euboeïsche aristocratie met kolonisatie afdoende aangetoond.

Maar waarom heeft de elite zich zo nadrukkelijk met kolonisatie beziggehouden? Om deze vraag te kunnen beantwoorden, plaatst Crielaard de stichtingen van de koloniën in hun achtste-eeuwse context. “De afbeeldingen op vazen uit die tijd tonen veel geweldscènes. In de Homerische epiek van die dagen worden de daden van een heldenelite bezongen. Tot slot zijn er nog die opvallende krijgersgraven. Het lijkt er sterk op dat een krijgerselite zijn best doet om zich nadrukkelijk te manifesteren en roem te verwerven.” Hierbij past ook het avontuur van kolonisatie. Dat betekende verre reizen maken en een onbekend gebied veroveren. Daarmee kon een krijger zich onderscheiden en eeuwige roem verwerven. “In de verhalen zijn altijd namen van individuen aan de stichting van een kolonie verbonden. De oikist (kolonisator) krijgt de roem, tot ver na zijn dood,” zegt Crielaard.

Voor een moderne westerling is het misschien moeilijk te begrijpen dat de verwerving van prestige een belangrijke stimulans was om het onbekende tegemoet te gaan. “Maar bijvoorbeeld de Caroliners in Oceanië begrijpen het maar al te goed. Die bieden tegen elkaar op wie de verste zeereizen maakt. Het gaat zelfs zo ver dat als iemand sigaretten wil halen, hij vanwege zijn reputatie niet wacht tot een motorbootje ze van een honderdvijftig mijl verder gelegen eiland komt brengen. Hij stapt in zijn zeilboot en vaart vijf dagen om de sigaretten zelf te bemachtigen.”

    • Theo Toebosch