Bereidheid weg te trekken bij slechter klimaat beïnvloedde evolutie

Volgens een antropoloog van het Smithonian Institution (Washington) berust de evolutie van de mens niet alleen op de 'survival of the fittest' in een bepaald milieu, maar ook (en misschien wel sterker) op zijn bereidheid om bij veranderende klimaatsomstandigheden mee te trekken met het oorspronkelijke leefmilieu (Science, 16 augustus).

De meeste onderzoekers koppelden de evolutie van hominiden (die plaatsvond in Afrika) vooral aan aanpassing aan de nieuwe leefmilieus die 2-3 miljoen jaargeleden, tijdens het Laat-Plioceen en het Vroeg-Pleistoceen, optraden. Die veranderende leefmilieus waren vooral een gevolg van toenamende droogte, gepaard met een temperatuurdaling (aanloop tot de eerste pleistocene ijstijd). De uitbreiding van savannes in Afrika, die van die veranderingen een gevolgwas, zouden de hominiden tot aanpassing hebben gedwongen.

Schommelingen van diverse klimaatparameters (onder meer de temperatuur van het oceanisch diepte- en oppervlaktewater, verplaatsing van stof onder invloed van wind) zijn gedurende de laatste vijf miljoen jaar met een factor 2-3 toegenomen. Vooral in de laatste miljoen jaar zijn er in Afrika bijzonder sterke schommelingen geweest in de luchtvochtigheid en vegetatie; ze traden op gedurende intervallen met een duur van zo'n 10.000-100.000 jaar, wat lang genoeg was voor een grote veranderingvan het landschap, waardoor de voedselvoorziening (en daarmee de overlevingskans) in ieder geval aanvankelijk afnam, en dus de natuurlijke selectie van meer belang werd.

Sommige groepen hominiden bleven binnen hun oorspronkelijke woongebied en pasten zich aan de veranderende klimaatsomstandigheden aan. De vroegpleistocene hominide Paranthropus koos voor deze optie; het veranderende klimaat ging voor hem gepaard met een ander leefmilieu, dus ook met ander voedsel, wat er toe leidde dat zijn gebit zijn omnivore karakter steeds meer verloor. Ook de Neanderthalers kozen ervoor om in hun kouder wordend woongebied te blijven; ze pasten zich daaraan snel aan, zoals blijkt uit hun relatief korte ledematen. Deze hominiden, die weigerden mee te trekken met hun oorspronkelijke milieu, stierven allen uit.

Andere groepen hominiden, die wel met het klimaat mee trokken en zo hun eigen type leefmilieus behielden, wisten wel te overleven. Voorbeelden zijn Homo erectus en de vroege Homo sapiens. Aan hun bereidheid om te trekken dankt de moderne mens mogelijk zijn bestaan.