Wrijforakels en voodoo-goden; Etnografica-tentoonstelling in de Kunsthal

Onlangs ontving het Museum voor Volkenkunde in Rotterdam een 'ongelofelijke schenking' van zestig stukken van het echtpaar Piet en Ida Sanders, toegewijde verzamelaars van etnografica. In de Kunsthal in Rotterdam is nu een tentoonstelling georganiseerd met hoogtepunten uit de museumcollectie.

Een aantal Nederlandse kunstenaars heeft hartstochtelijk etnografica verzameld. Zes van hen lichten hun passie toe. “Ik zag drie zittende poppetjes met heel lange armen. Ik stond aan de grond genageld”. Er was niet lang geleden een mooi vooruitzicht in Rotterdam. Pal aan de overkant van de Maas, vlakbij Hotel New York, zou een nieuw Museum voor Volkenkunde verrijzen. Op die vorstelijke locatie, vanwaar de Holland-Amerika Lijn jarenlang zegevierde over het water, moesten alle culturen elkaar ontmoeten. En net zoals alle nationaliteiten elkaar iets verderop, op de Nieuwe Waterweg, aan bak- of stuurboord tegenkomen, zo zou ook in dat nieuwe museum de wayang-pop uit Indonesië zich spiegelen in de regengod uit Mali.

Helaas is het bij dat vooruitzicht gebleven. De gemeente was niet bereid 36 miljoen gulden voor de peperdure grond en de nieuwbouw op tafel te leggen en van het florerende bedrijfsleven valt in deze stad blijkbaar ook weinig meer dan wat stuivers te verwachten. Jammer, dat die handel- en scheepvaartmaatschappijen niet gezamenlijk met een royaal gebaar over de brug zijn gekomen. Een optimaal geoutilleerd volkenkundig museum is nergens anders beter op zijn plaats dan in de grootste havenstad van de wereld. Het had bovendien als cultureel speerpunt kunnen fungeren tussen de architectonische bravoure van de nabije Kop van Zuid, die als boegbeeld een belastinggebouw heeft gekregen.

Het 110 jaar oude Museum voor Volkenkunde blijft zitten waar het zit, aan de andere kant van de rivier, dichtbij de Erasmusbrug van Ben van Berkel. Maar het museum krijgt er twee, naburige cargadoorspanden bij. Eindelijk kan het depot, waar het merendeel van de 110.000 stukken tellende collectie is opgeslagen, worden leeggehaald. De stad betaalt acht miljoen gulden voor de aankoop en de inrichting, de resterende vierëneenhalf miljoen moeten vrienden en fondsen bijeenbrengen.

Museumdirecteur Hein Reedijk kent geen twijfels; dat geld komt er. Vanaf september 1999 beschikt het museum over tweemaal zoveel ruimte voor zijn maskers en schilden, verentooien en voorouderbeelden, poncho's en kano's, en zijn eigentijdse doodskisten uit Accra, Ghana, waar boeren en taxi-chauffeurs graag luxueus in een langgerekte ui of in een Mercedes-Benz te ruste werden gelegd.

De tentoonstelling die gisteren in de Kunsthal in Rotterdam is geopend, 'demonstreert onze expansiedrang', zegt Reedijk. De ruim 250 mooiste stukken uit de Afrika-collectie kon het museum zelf wegens ruimtegebrek niet in volle glorie etaleren. Behalve pronkzucht is er nog een andere aanleiding voor deze tentoonstelling: “Een ongelofelijke schenking”, aldus de directie. Het echtpaar Piet en Ida Sanders uit Schiedam gaf zestig stukken cadeau, sculpturen, maskers en gebruiksvoorwerpen uit West- en Centraal-Afrika. “Ze zijn in dertig jaar tijd met liefde, smaak en ondernemingsgeest” vergaard, zegt Reedijk, die in een bijzin vertelt dat dankzij een anonieme collectioneur onlangs ook nog duizend stuks precolumbiaans aardewerk zijn verworven. Met een jaarlijks aankoopbudget van 137.500 gulden (inclusief de reiskosten voor de staf) lagen al deze aanwinsten volledig buiten het bereik van het museum. Het kan zich nog net de hedendaagse Afrikaanse kunst permitteren. Voor de 'klassieke' etnografica moet men rekenen op gulle museumvrienden.

“Omdat het echtpaar Sanders dertig jaar lang met hart en oog heeft gekocht, is in deze schenking een continuïteit en samenhang te herkennen die geen enkel museum kan evenaren”, meent Reedijk. Volgens Afrika-conservatrice Erna Beumers “kan Sanders blindvaren op een feilloze intuïtie en een geraffineerd oog. Aan de monumentale vormen en ornamenten van zijn beelden is te zien dat hij de zoon is van een architect.”

De tentoonstelling in de Kunsthal, die straks als eerste westerse etnografica-presentatie ook naar Zuid-Afrika reist, is 'associatief samengesteld'. Naar voorbeeld van de schenkers keek Erna Beumers niet naar de etnografische betekenis van kop of trom, maar vooral naar de esthetische kwaliteit, de zeldzaamheid en de vormkracht.

Subtiliteit, expressie, zuiverheid, oorspronkelijkheid, ongekunsteldheid, plasticiteit of soberheid - het zijn de steeds weer terugkerende kwalificaties die als oppervlakkige, omtrekkende bewegingen nauwelijks recht doen aan dat wat een liefhebber aanspreekt in een rechthoekig plankje met twee gleuven.

Tuimelen

Het blijft opvallend dat nog steeds menig beeldend kunstenaar en architect zich tot deze kunstwerken voelt aangetrokken. Negentig jaar nadat Matisse ten huize van Gertrude Stein aan Picasso een stuk 'art nègre' liet zien, dat de schilderkunst, zo men wil de kunstgeschiedenis, deed tuimelen, fragmenteren en deformeren, is in vele ateliers 'Afrika' of 'Oceanië nog steeds aanwezig.

Georg Baselitz bezit een omvangrijke Afrika-collectie en hij hakt, net als Lüpertz, ook zelf in een stijl die regelrecht op de 'original art' geënt is. Arman, die al een leven lang ensembles maakt van een en hetzelfde type voorwerp, pronkt met een van de mooiste verzamelingen van Frankrijk. Corneille stelde in 1992 in het Museon een flinke keuze uit zijn 600 stukken tellende collectie tentoon. Karel Appel, Klaas Gubbels, Eugène Brands en vele anderen hebben zich met 'quelques nègres', zoals Braque zijn bezit omschreef, omringd.

“Ook voor ons is de Afrikaanse beeldhouwkunst volmaakt gelijkwaardig aan de westerse sculptuur”, vertelt de schenker Piet Sanders, werkzaam in de internationale advocatuur. “De omschrijving 'primitieve kunst' vind ik daarom nogal verwaand. Ik heb ten aanzien van alle beeldende kunst een 'comparative view', een vergelijkende visie, naar het boek Comparative Law dat ik onlangs heb geschreven. Mijn vrouw en ik zijn niet op één bepaalde stam of volk gericht, net zo min als we ons bij het verzamelen van moderne, westerse kunst op één kunstenaar of stroming concentreren.

“Het collectioneren van etnografica begon voor ons aan het eind van de jaren vijftig met de aankondiging van een Afrika-tentoonstelling in een Londense galerie. We waren meteen onder de indruk, vooral van de Dogon-beelden. Onze voorkeur gaat nu nog steeds uit naar de vrijstaande sculptuur. Niet naar de magische fetisj-beelden, want daarin komt de sculpturale waarde minder tot uitdrukking. Stam of volk is niet belangrijk. We vertrouwen op onze esthetische gevoelens, om maar eens een paar lelijke woorden te gebruiken.

“Ik zal die beelden gaan missen, maar straks komt ergens wel weer een stuk vandaan. Ik ben blij dat ze nu tot de museumcollectie behoren. Ze functioneren daar beter en het is toch ook zelfzuchtig om ze alsmaar om me heen te houden. Ik heb nu weer alle ruimte thuis voor nieuwe etnografica en voor werk van jonge, westerse kunstenaars. In Londen heb ik trouwens net een Parthenon-toaster gekocht, een echte toaster met een echt snoer, waar een jonge kunstenaar een miniatuur van het Parthenon omheen heeft gebouwd. Ik ben er zeer verrukt van.”

Het Museum voor Volkenkunde is nog lang niet van Sanders af. Het mag al gaan rekenen op de schenking 'Afrika 2'. Voor de huidige tentoonstelling kocht het echtpaar nog even een twee meter breed, ruig getand Ibo-masker. De symbiose tussen krokodil en zwaardvis is blauw beschilderd, gesierd met spiegeltjes en bloemvormen; het fragmentarische karakter verraadt een westerse invloed. Dobberend in de rivier kon de drager van het masker in verbinding treden met de watergeesten.

“Die museumuitbreiding moet er trouwens als de bliksem komen”, zegt Sanders tenslotte. “Het is toch te gek dat er nu bijna niets tentoongesteld kan worden. Ik weet bijvoorbeeld dat de anonieme schenker van die precolumbiaanse collectie bereid is om nog veel meer af te staan, maar dan wil hij er af en toe wel iets van kunnen terugzien.”

Rups

De Kunsthal heeft een meer dan mooie tentoonstelling in huis. Picasso zei het al: “Deze kunst kan niet voorbijgestreefd worden.” In een donkere ambiance en de iets te lompe, taps toelopende vitrines is van elk type voorwerp - neksteunen en messen, maskers en trommen, pijpen en bekers - een paar sublieme 'klassieke' exemplaren uitgestald.

Neem nu het meest intieme Afrikaanse voorwerp; de neksteun, niets meer dan een smal, ietwat verhoogd plankje, en zie hoe een Zoeloe-beeldhouwer zo'n zelfde plankje laat rusten op een schraag die als een gelede rups in staat lijkt zich geruisloos scharnierend door een kamer te verplaatsen. Bij de Luba-stam uit Zaïre kon men kiezen voor een figuratief exemplaar, samengesteld uit twee hurkende dames die als geruststellende moederfiguren alle kopzorgen op zich namen. Hun kapsel, hun schouders en ledematen verhouden zich in rechte en schuine lijnen zo feilloos tot elkaar dat er uit dit hoogstandje van circa vijftien centimeter architectonisch nog een les te leren valt.

“De meeste Afrikaanse kunst dient in de eerste plaats de harmonie en de rust in zowel het individuele leven als het groepsleven”, zegt Erna Beumers. “Daarom keert zo vaak de mens als gestalte terug, stevig met zijn grote voeten op de aarde geplant. Met een ontspannen knikje in de knieën staat hij in alle rust onwankelbaar in het lood. Ook die soms angstaanjagende krachtbeelden worden ingezet om na het overtreden van de sociale wetten de rust in de groep te herstellen.”

Het museum schept nu op met zijn grote en kleine, superieure spijker- of krachtbeelden uit eigen bezit. Buik en hoofd zijn met schelpen, nagels, spijkers, wiggen, raffia en spiegeltjes flink aangezet, om toch vooral bescherming, vruchtbaarheid en ander geluk te kunnen afdwingen. Bij menige stam wordt zo'n beeld tegemoet getreden als een persoonlijkheid, en het verdiende aanbeveling niet met zijn 'ziel' te spotten.

Beumers kan grenzeloos vertellen over het onverwoestbare Afrikaanse geloof in de continuïteit van het leven, dat pas na de dood aan belang lijkt te winnen. Schrijft de westerling zijn tegenslagen toe aan het noodlot, de Afrikaan gelooft in de stuurbaarheid van zijn bestaan. Onheil laat zich afwenden via een bemiddelaar die met magische handelingen het contact met de geesten onderhoudt. Daartoe dient bijvoorbeeld een handhoog wrijforakeltje dat een beetje op een weefspoel lijkt, maar dat een Luba-beeldhouwer tooide met een erbarmelijk mooi vrouwenhoofdje.

Het woord 'abstract' bestond nog niet eens in Europa toen de Mende in Sierra Leone in hun textiel de trappen van Europese gebouwen en kastelen stileerden tot een ragfijn zwart-wit gekarteld blokpatroon. Vijf eeuwen geleden al, reduceerden de Tellem in Mali een menselijke gestalte tot de essentie, een statige verbinding tussen hemel en aarde. Bijna net zo abstract is het zwarte Bete-masker uit Ivoorkust, eveneens uit de collectie Sanders. Deze god van de oorlog is zo ingenieus in ronde schijven opgebouwd, dat hij soepel kan doorgaan voor het magistrale concept van een futuristische parkeergarage. En wie goed kijkt, ontdekt achter de geometrische patronen van een rieten schild uit Liberia een bloedlink werpmes, dat als abstracte sculptuur meteen het Kröller-Müller Museum in kan.

Tradities gaan mee met hun tijd. Sommige Afrikaanse beeldhouwers maken nu om den brode schamele afspiegelingen van hun 'klassieken'. Anderen durven te experimenteren met levensgrote, hyperrealistische beelden van zwarte vrouwen. Ze worden in Ivoorkunst gehakt naar naaktfoto's en het Museum van Volkenkunde kocht er in 1994 al twee van aan. In Zuid-Afrika drijft Owen Ndou beitelend de spot met zijn blanke, golfspelende medemens, in de gedaante van een stuntelige, aangeklede aap die 'een balletje slaat'. En in Togo stierf in 1992 de beeldhouwer en waarzegger Agbagli Kossi, die, geïnspireerd door een naaimachine-advertentie, de meest hysterische voodoo-god maakte die het Museum voor Volkenkunde in huis heeft.

Zoals menigeen niet goed raad weet met eigentijdse westerse installaties van spaghetti, brei- en haakwerk of balonnetjes, zo zal menige bezoeker nog wat onwennig dit hedendaagse Afrika bekijken, dat af en toe zomaar tussen de tronen en grafbeelden van machtige voorouders opduikt. Misschien raakt het echtpaar Sanders er wel door gegrepen. Voor wie verliefd wordt op een Parthenon-broodrooster gaat in de beeldhouwkunst geen zee te hoog.