Van twee schilders een; De gespleten schilderkunst van Ferdinand Hart Nibbrig

Twee schilders gingen schuil in Ferdinand Hart Nibbrig. Hij schilderde zijn kleurige, zonnige landschappen pointillistisch, een stijl die hij in Parijs in 1888 leerde kennen. Maar voor zijn portretten, zo is in het Singer Museum in Laren te zien, handhaafde hij tot enkele jaren voor zijn dood in 1915 de lange, gladde kwaststreek.

Ferdinand Hart Nibbrig 1866-1915, Singer Museum, Oude Drift 1, Laren. di tm za 11-17 u., zo 12-17 u. T/m 3 nov. De catalogus, 144 p., kost ƒ 65,-.

Het heeft maar zo'n twintig jaar geduurd, het pointillisme, die wonderlijke stroming in de beeldende kunst waarbij schilders niet schilderden, maar met het puntje van hun fijnste penseel stipje voor stipje de verf op het doek brachten. Confetti-strooiers werden ze genoemd, een spotnaam die van weinig inzicht in hun werkwijze getuigde. De pointillisten, of 'neo-impressionisten', waren geen drippainters als Pollock, geen onbesuisde verfspetteraars, maar juist de meest precieuze, behoedzame, geduldige en rationele kunstenaars uit de geschiedenis. Hun ingetogen gestippel was een reactie op het spontane schilderen van de impressionisten die in snelle verfstreken de indruk van een enkel vluchtig ogenblik weergaven.

De pointillisten was het niet om dat ene moment te doen, om die ene, kortstondige lichtval die de kleuren in de natuur doet opblinken of juist verdoffen. Zij wilden een rustig, harmonieus en vooral zo helder mogelijk beeld geven van wat ze zagen. Hun systematische schildertrant was beïnvloed door theorieën van negentiende-eeuwse natuurkundigen over licht, kleur en waarneming.

Als de pigmenten niet op het palet of op het doek werden gemengd, maar in afzonderlijke puntjes naast elkaar gezet, dan zouden die puntjes in het oog van de kijker in elkaar overgaan. Door die optische vermenging werden de kleuren volgens de pointillisten zuiverder en intenser gezien. De eerste pointillist, Georges Seurat, deed in de jaren tachtig van de vorige eeuw misschien ook inspiratie op bij de toenmalige experimenten met kleurendruk en -fotografie, die een weliswaar gekleurd, maar grofkorrelig beeld opleverden. Toch waren die kleurkorreltjes altijd nog veel kleiner dan de verfstipjes van de pointillisten. Hoe miniem ze hun puntjes ook maakten, de gewenste kleurvermenging in het oog vindt alleen plaats als het schilderij van een afstandje wordt bekeken. En dan nog wordt het effect dat de puntjes verloren gaan lang niet altijd bereikt. Ze zijn eenvoudig te groot.

Bij het bekijken van de tentoonstelling van de Nederlandse pointillist Ferdinand Hart Nibbrig (1866-1915) in het Larense Singer Museum, merkte ik bij mezelf de neiging om een beetje onscherp te gaan zien, zodat het beeld wat vervaagt. Op die manier wilde het weleens lukken om de ontelbare stipjes van bijvoorbeeld een Landschap in Zuid-Limburg (1904) te laten samensmelten tot het beoogde geheel, maar dat was dan wel een wazig geheel.

Modder

Ferdinand Hart Nibbrig was een van de meest noeste stippelaars onder de Nederlandse schilders. Toen hij na de Amsterdamse Rijksacademie in 1888 een jaar in Parijs verbleef, zag hij daar het pointillistische werk van Seurat en Signac, maar hij zag er ook de schilderijen van Van Gogh met hun felle kleurcontrasten, en het impressionisme van 'lichtschilders' als Monet. Voor Hart Nibbrig, die, zoals hij het zelf later uitdrukte, nog vastzat 'in den modder', in de zware bruin-grijze tonen van de Hollandse schilderkunst, was de explosie van licht en helderheid in Parijs een verwarrende ervaring. Aanvankelijk wist hij niet wat hij ermee aanmoest en de eerste jaren na zijn terugkeer in Amsterdam bleef hij schilderen in de oude, vertrouwde aardkleuren. De grove penseelstreek verraadde in deze jaren vooral de invloed van Breitner.

Pas in 1892, toen hij de stad uitging en op zijn fiets tochtjes maakte naar de bloembollenvelden en de glooiende akkers in het Gooi, kwam Hart Nibbrig los van de 'modder' en wees de natuur hem de weg naar een fleuriger palet.

Een van zijn eerste doeken met een lichtere kleurstelling was Op de duinen in Zandvoort (1892), waarop hij twee vrouwen schilderde, neergevleid in het zand tussen het wuivende helmgras. Het tafereel, dat in losse streken is weergegeven, doet onmiddellijk denken aan de zonnige strandimpressies van Isaac Israëls. Van een pointillé is in dit doek nog niets te bekennen. Maar een jaar later is er ineens de eerste, schuchtere aanzet tot stippelen. In het schilderij Boomgaard in Overveen is de verf nog niet in puntjes, maar in korte veegjes en dotjes opgebracht, wat een levendige suggestie geeft van oplichtende bloesems en bladeren. Pas in de landschappen die hij tussen 1910 en 1915 op Walcheren schilderde, zou hij die levendigheid opnieuw bereiken. Na jarenlang streng stippelen stond hij zichzelf toen, in zijn laatste levensjaren, weer een iets lossere schildertrant toe.

Op de expositie in het Singer Museum is goed te volgen hoe Hart Nibbrig bij zijn streven de kleuren zuiver weer te geven na 1893 steeds bedachtzamer te werk ging. Alsof hij steekje voor steekje aan wandtapijten borduurde, zo nauwgezet stippelde hij zijn moestuinen, boerenerven en panoramische landschappen vol.

Vooral bij de landschappen - vergezichten over akkers, weilanden en heuvels - is er een tegenspraak tussen het weidse en verlatene van die tot de horizon strekkende velden en het priegelige gebaar waarmee die weidsheid is weergegeven. Hart Nibbrig zal zich daar niet bewust van zijn geweest. Hij liet zijn landschappen altijd baden in het zomerse zonlicht en hij zag het pointilleren, van slechts met wit gemengde pure kleuren, als de enige manier om de zonnewarmte op het doek te laten zinderen, om de kleuren te doen tintelen en 'zingen'. Een enkele keer lukte hem dat ook. In het doek Algiers (1905) schilderde hij in een wemeling van roze, geel en lila het Algerijnse strand. Hij paste de pointillé hier minder streng en statisch toe en liet zijn hand wat meer de vrije teugel. Met dit schilderijtje kwam hij ineens dicht in de buurt van het luministische werk waarmee Mondriaan en Sluijters enkele jaren later opzien baarden. Maar het was maar voor een enkel keertje dat hij zich zo losbandig liet gaan. Toen Sluijters, Mondriaan en enkele andere nieuwlichters in 1910 de Moderne Kunstkring oprichtten, mocht Hart Nibbrig niet meedoen omdat hij tot de 'halfslachtigen' hoorde, zoals Sluijters schreef. Zijn schilderijen waren te ordelijk, te kalm, te netjes - geen werk van een woeste wereldbestormer als Jan Sluijters in die jaren was.

Eenling

Hart Nibbrig is in zijn tijd, omstreeks de eeuwwisseling, een eenling gebleven. In Laren, waar hij vanaf 1894 de winters doorbracht, deed hij niet mee aan het romantiseren van de armoede, aan het schilderen van schamele boerenbinnenhuisjes met lieflijke moeder-en-kind tafereeltjes.

Zijn grote, decoratieve doeken uit de jaren negentig neigen naar het symbolisme, maar zijn toch niet onder die noemer te vangen. In deze tekenachtige schilderijen, waar de kleurstipjes gevat zijn in helder omlijnde, gestileerde vormen, was het hem meer te doen om de kleurenpracht van een zonnebloem, phlox, appelboom of rode kool, dan om de diepere betekenissen die men aan de groei en bloei van deze gewassen zou kunnen hechten.

Voor zijn stippeltechniek vond Hart Nibbrig in Nederland ook weinig medestanders. Jan Toorop heeft zich er in uitgeleefd - al vanaf 1887 - en er waren enkele navolgers, als Co Breman, maar in zijn strenge toepassing sloeg die techniek niet echt aan. In 1889, vijf jaar voor Hart Nibbrig zijn eerste stipjes zette, had een criticus in De Amsterdammer al het doodvonnis geveld over de pointillisten: Zij 'bouwen hunne stukken op uit afgepaste rijen verfpuntjes in verschillende schakeringen (-). Van zeer ver beschouwd blijkt met dit procédé wel zeker een effect verkregen, maar reeds de kinderachtigheid van het procédé veroordeelt dit gepeuter.'

Hart Nibbrig paste de pointillé te knap en eigenzinnig toe om het als gepeuter af te doen en ook geeft het zonnige karakter van al zijn landschappen er een bijzondere charme aan. Toch zou de expositie in het Singer Museum wat eentonig zijn geweest, als in Hart Nibbrig niet nog een schilder had gescholen, die wel de kwast durfde hanteren: de schilder van realistische portretten en figuurstukken. In deze doeken liet hij de zoete zomerkleuren voor wat ze waren. Van een pointillé is niets te bekennen, integendeel, hij schilderde zijn figuren meestal in lange, gladde streken.

Als er al iets stijfs of statisch in zijn portretten van landlopers, boeren en arbeiders zit, dan is het in de wat houterig weergegeven houdingen. Bij het schilderen van de gezichten, van de diep doorgroefde boerenkoppen, was hij duidelijk meer in zijn element. Die getourmenteerde, norse hoofden met hun scherp getekende gelaatstrekken, maken dit werk intrigerend. Er spreekt berusting uit, gedragen leed, stuursheid. Het zijn uitgebluste, of in zichzelf verzonken gezichten, altijd lelijk, op het gedrochtelijke af, maar ze zijn nooit sentimenteel weergegeven. Hoe sjofel ze ook achter hun karren sjokken, Hart Nibbrig schilderde zijn figuren niet als een sociale aanklacht. Het blijft bij een nuchtere registratie, wat aan deze schilderijen iets tijdloos geeft. Vooral de figuurstukken die hij tussen 1906 en 1909 maakte, herinneren door de dun uitgestreken, egale verflaag aan middeleeuwse fresco's. Dat de Vlaamse Primitieven hem tot voorbeeld hadden gediend, gaf Hart Nibbrig zelf aan door de naam van de geportretteerde soms in een embleem op het doek te vermelden.

Symbiose

Tot 1910 leken de portretten en de landschappen van Hart Nibbrig door twee kunstenaars geschilderd. Maar daarna, tegen het eind van zijn leven, ontstaat er iets als een symbiose tussen de twee schilders. In de landschappen wordt de toets vrijer, de puntjes groeien tot brutale veegjes. In de portretten maken de lange penseelstreken plaats voor kortere haaltjes en winnen de kleuren aan helderheid. De symbiose kwam beide genres ten goede, het was of eindelijk de ware Hart Nibbrig opstond, bevrijd van alle schilderkunstige theorieën. Alsof hij eindelijk op zijn hand durfde vertrouwen. Zo schilderde hij kort voor zijn dood - hij werd maar 49 - enkele meesterlijke en ontroerende portretten: Larense boer en Portret van een arbeider.

In de boerenkop zijn de gelaatstrekken met bijna nonchalant opgebrachte blauwe, roze en witte toefjes verf even trefzeker vastgelegd als in de zorgvuldig belijnde koppen op zijn vroegere portretten. In het Portret van een arbeider ging hij nog een stapje verder: met schijnbaar lukrake zigzag-streekjes riep hij in die kop de ontberingen van een zwoegend bestaan op. Opvallend genoeg is uit beide koppen alle norsheid geweken en wist Hart Nibbrig er zelfs iets als een vleugje wijze ironie in te leggen.