Uit een saaie maand

Ik droomde dat ik per trein naar Parijs ging om nieuwe dromen te kopen. Ik was weliswaar mijzelf en toch een zakenman. De man met wie ik onderhandelde had een slordige, oude baard en droeg een jasje met vieze revers. Of het verder ging weet ik niet. Het is waar, mijn dromen worden sleets.

In de saaiste begeef ik mij op weg, met frisse pas, in landschap of stad, een doel voor ogen, en telkens als ik over een vlakte loop zijn er bergen, als ik door straten loop ruïnes, en ik sla steeds naar links af hoewel mijn doel rechts ligt. Vroeger vond ik het een interessant soort droom, omdat er zoveel prachtigs en dreigends aan landschap en stedenschoon in werd vertoond. Nu raak ik verveeld, geeuw mij half wakker en denk: “Jongen, houd op, altijd hetzelfde, je komt toch niet aan.” Op de Achterpagina van deze krant hebben Theun de Vries en Gerrit Krol zo'n droom gebruikt voor een verhaal. Misschien ontmoet ik hen nog eens, in een droom, bij die twijfelachtige handelaar in Parijs.

April mag de wreedste maand zijn, augustus is de saaiste. Ik schrijf dit stukje oog in oog met een zonnebloem en denk aan stukjes die ik veertig jaar geleden las, in de krant waarvoor ik werkte. 'Pieter Spreeuw' heette de rubriek waarin iedere dag een lezeres meedeelde dat zij in haar voortuintje een grotere zonnebloem had staan dan de lezeres van gisteren in háár voortuintje. Ik denk aan zestig jaar geleden, aan pensions op de Veluwe, aan dagen op het 'stille strand' bij Den Haag, en vraag me af wanneer en waarom ik zo de pest heb gekregen aan het begrip 'vakantie'. Zeker niet omdat ik ijverig zou zijn. Uit angst voor verveling, neem ik aan.

Het is saai om geen meningen te hebben. Ik augustus heb ik er nog minder dan in de andere maanden. Over moord en doodslag hoeft niet van gruwel naar gruwel te worden nagedacht. Zoiets als het geloof, waarover tegenwoordig weer veel te doen is, wat zou ik er van vinden. Ik word niet ontroerd, als Marjoleine de Vos, door oude Griekse vrouwen die kreupel een kerktrap opklimmen om een ikoon te kussen. Waarschijnlijk ben ik het eens met de anti-gelovige Rudy Kousbroek. Een mening vormt zich nauwelijks, saai. Geschrokken denk ik terug aan een nacht in het vissersdorp Nazaré in Portugal waar bezopen bedevaartgangers te keer gingen, volgens mij godslasterlijk en mensonterend. Moet ik iets vinden van kroonprins Willem Alexander en zijn gehos in Atlanta? Ik vind van niet. Meningen zijn niet mijn zaak.

Morgen is het Koninginnedag. Aan het eind van die saaie augustus was er een feest waarop je je in je kindertijd verheugde, en er was weinig aan. Ik kan me niet herinneren de geboortedag van koningin Wilhelmina in Rotterdam-West ooit uitbundig te hebben gevierd. Er was vuurwerk. Dat was mooi. Op m'n zestiende of zeventiende ging ik met vrienden naar het Park en we dronken bier. Naderhand stonden een vriend en ik in een krul te pissen en hij zei: “Fred, wat denk je van mijn persoonlijkheid?” Ik vrees dat ik hem nooit antwoord heb gegeven. Mijn grootvader Ernst Ferdinand Kossmann was leraar Duits aan het Haagse gymnasium en werd in 1894 “benoemd de veertienjarige koningin Wilhelmina les te geven in de Duitse taal en vervolgens ook in de letterkunde geplaatst in breed Europees verband”. Hij deed dat tot zij in 1898 de troon besteeg. De leraren kregen toen een zilveren servies en een royaal ingelijst portret. Op het portret dat mijn grootvader kreeg had Wilhelmina haar naam geschreven in Duitse letters. Dat noem ik hoffelijk.

Tussen 21 oktober en 24 november 1945 was in het Museum Boymans te Rotterdam een tentoonstelling te zien 'In het verborgene gedrukt', illegaal verschenen publicaties uit de bezettingsjaren. Ik was secretaris van het Comité van voorbereiding. Zoals dat gaat: ik was het beste op de hoogte. Koningin Wilhelmina kwam bezichtigen, ik werd aan de begeleider toegevoegd om op eventuele vragen antwoord te geven. Er lag een boek met verzetspoëzie, in het Duits vertaald door een Nederlandse diplomaat in Zwitserland. Ze zei: “Ik wil die prachtige gedichten niet lezen in die afschuwelijke taal.”

    • Alfred Kossmann