Twijfel aan de vooruitgang

“Eergisteren was niet over de hele linie slechter dan gisteren of zelfs vandaag en misschien morgen.” Met deze uitspraak eindigde ik mijn artikel van 23 augustus. Achteraf beschouwd, trok ik hiermee het beginsel van de vooruitgang in twijfel, wat voor velen neerkomt op het wegtrekken van het kleed onder hun voeten.

Immers, op z'n minst sinds de Renaissance zijn hele generaties opgegroeid in het geloof aan de voortdurende vooruitgang. Zowel het socialisme als het liberalisme is een verschijningsvorm van dit geloof, dat zijn voorlopig laatste opflakkering beleefde in de jaren zestig en zeventig, toen vrijwel iedereen om het hardst zijn 'progressiviteit' beleed - zelfs calvinisten.

Het merkwaardige evenwel is dat, juist op het ogenblik dat het beginsel van de vooruitgang, met de val van de Muur, een geweldige overwinning leek te hebben behaald, de twijfel toesloeg. De chaos, de moord en doodslag die in de plaats van het communistische idool zijn gekomen, hebben sterk aan die twijfel bijgedragen.

Stalin, Mao, Fidel Catro, Ho Tsji-minh, Pol Pot waren eens voor miljoenen de puurste belichaming van de vooruitgangsgedachte of pretendeerden dat te zijn. Dat hun daden eerder het tegendeel leken te bewijzen, deerde niet: waar gehakt wordt vallen spaanders, luidde het excuus. Gorbatsjov wist even nog voedsel te geven aan alle vooruitgangsgelovigen ter wereld. Is, nu de laatste hoop verdwenen is, het hek van de dam?

Maar de toeslaande twijfel is niet alleen toe te schrijven aan het verdwijnen van de laatste bastions van de vooruitgang. De vervuiling van lucht en water; de werkloosheid; de overbevolking; de 'Derde Wereld' die, ondanks alle hulp, alleen maar armer wordt; de onbekende ziekten; de drugsverslaving; en, laatste voorbeeld, de wijdverbreide kinderporno en -prostitutie - zij alle hebben weinig met de val van de Muur te maken en dragen toch bij tot de twijfel aan het vooruitgangsbeginsel.

Een en ander heeft het Franse dagblad Le Monde ertoe gebracht een reeks van intellectuelen uit te nodigen artikelen te schrijven over het idee van de vooruitgang en wat ervan geworden is. De serie loopt op dit ogenblik nog, en van de artikelen die tot dusver zijn verschenen, vind ik, moet ik helaas zeggen, de meeste nogal duister en woordenrijk.

Wie er tot nu toe uitspringen, zijn de socioloog Edgar Morin en president Mitterrands gewezen adviseur Jacques Attali. Van de laatste moet ik alweer zeggen: helaas, want hij heeft met zijn twee boeken Verbatim I en II, die overigens fascinerend zijn, het vertrouwen van zijn chef beschaamd, en vervolgens heeft hij een potje gemaakt van zijn voorzitterschap van de herstelbank voor Oost-Europa (onze Onno Ruding, die ook kandidaat voor die functie was, zou dat zeker niet hebben gedaan).

Attali begint met de opmerking dat zo'n reeks artikelen zeker nooit in een Chinees of Afrikaans dagblad zou verschijnen: die volken hebben duidelijk nog te veel weldaden van de vooruitgang te verwachten om zich twijfel daarover te kunnen veroorloven. Die opmerking, die Morin overigens ook maakt, is juist, maar neemt onze twijfel niet weg.

Als om hun gelijk te bevestigen, schrijft de Tsjechische premier, Václav Klaus, weliswaar geen Chinees of Afrikaan, maar wèl leider van een land dat uit een diep dal opklimt en licht aan het einde van de tunnel ziet gloren, in Schweizer Monatshefte (juli/augustus) dat we nu eenmaal met “onvolmaakte mensen en onvolmaakte instellingen te maken hebben, maar dat er op verscheidene plaatsen vooruitgang is te bespeuren”, al is die “niet zonder voortdurende inspanning, zonder persoonlijk engagement” te behalen.

Niettemin: voor ons relevanter is Attali's stelling dat vooruitgang, en twijfel eraan, produkten zijn van een historisch lineair denken: iets gaat naar voren of naar achteren, terwijl de werkelijkheid veel geschakeerder is: tegengestelde verschijnselen doen zich gelijktijdig voor.

Zo stijgt de levensverwachting even snel als de dodelijkheid van de wapens; stijgt de landbouwproduktie, maar het aantal hongersnoden evenzeer; benadrukt de globalisatie van de markt de eenheid van de wereld, terwijl het aantal staten steeds stijgt plus nationalisme en xenofobie; komen de communicatiemiddelen steeds meer binnen het bereik van de mensen, maar wordt de eenzaamheid groter.

Iets dergelijks signaleert Morin: individualisme betekent niet meer uitsluitend autonomie en emancipatie - twee bij uitstek progressieve doeleinden - maar ook atomisatie en anonimisatie. Secularisatie betekent niet uitsluitend bevrijding van religieuze dogma's, maar ook verlies van grondslag, angst, twijfel; verscheidenheid van waarden heeft niet alleen morele autonomie, esthetisch genot, vrij onderzoek tot gevolg, maar ook demoralisatie, frivool estheticisme, nihilisme.

Hoe dan ook, de vooruitgang wordt door geen enkele historische wet automatisch bevestigd, zegt Morin. De geschiedenis lijkt meer op een labyrint dan op een rechte lijn, zegt Attali, of “een sliert spaghetti in een bord spaghetti”, zoals een andere schrijver schreef. Dit nadert de uitspraak die de Amsterdamse historicus prof. W.H. Roobol enkele jaren geleden in het tijdschrift Theoretische geschiedenis deed: “Wat wij in de geschiedwetenschap (en de andere wetenschappen) bestuderen zijn de gedaantewisselingen van de chaos.”

Merkwaardig genoeg, herinnert geen van beiden aan de gedachte van de 'dialectiek van de geschiedenis': groei door tegenstelling (de tegenstelling van thesis en antithesis, die tot synthesis komen, die weer een nieuwe antithese oproept). Ook de andere schrijvers in de reeks doen dat niet. Is die gedachte, met Karl Marx, gediscrediteerd?

Merkwaardig is ook dat zelden de vraag gesteld wordt naar de maatstaf waaraan voor- of achteruitgang gemeten moet worden: welk ideaal, welke norm of welk gebod is de standaard? Ook de schrijvers in de serie in Le Monde doen dat - althans tot dusver - niet. Of heeft ieder zijn eigen standaard? Zo ja, dan is alle gepraat over voor- of achteruitgang zinloos.

    • J.L. Heldring