Toch spijtig dat het altijd heden blijft

Rob Schouten, Bij bewustzijn. Uitg. De Arbeiderspers. 60 blz., ƒ 29,90.

In een van de gedichten uit zijn nieuwe bundel Bij bewustzijn zien we Rob Schouten zitten, 'bleek en bedachtzaam in het ondervragerslicht'. Het lijkt erop alsof hij in het openbaar geïnterviewd wordt. Hij staart naar zijn papieren 'alsof hij wormensteekt': mooi beeld voor de dichter die moet praten over eigen werk. Er is bier bij, en sigaretten, dus er heerst 'de sfeer van bij heer dichter thuis'. Zijn gedachten dwalen af naar de vrouw die zo aandachtig naar hem luistert. Met deze 'Mademoiselle Muze' zou hij na alle gepraat wel de nacht willen delen. In gedachten verlaagt hij haar tot een 'luisterend en lezend sletje' en zichzelf tot een brildragende en zwaarmoedige peinzer. Dan drijft ook deze geile aanvechting weer over, waarna hij, in de laatste regel, de kamer maar weer 'aan de rotzooi laat'. Op dat moment ongeveer begint de lezer zich af te vragen of dit gedicht zich eigenlijk wel buitenshuis heeft afgespeeld. Het is heel goed mogelijk dat dit interview alleen maar een beeld is voor het stille gesprek dat de dichter onder de bureaulamp met zijn inspiratie heeft gevoerd.

Zo gaat het vaak in de poëzie van Schouten. Een bestaande situatie (een documentaire, een advertentie, een film, een video, een interview) blijkt in de loop van het gedicht het beeld te zijn voor een innerlijke monoloog - en omgekeerd. Evenzo worden, in een hoogst eigenaardige afdeling, gegevens uit de bijbel omgevormd tot verslagen van de eigen zielsbewegingen. De vier vertalingen waarmee de bundel eindigt (van Rilke, Schwartz, Berryman en Jarrell) zijn ook meteen zelfportretten. Schouten ziet alle registers en stijlen als beschikbaar materiaal waarvan hij gretig gebruik maakt. Het is moeilijk te zeggen wat hem daarbij drijft, maar daar ligt ook meteen de crux van zijn poëzie: in het heen en weer schieten tussen oprechtheid en relativering.

Nog altijd is er de neiging het middelpunt te ontvluchten, via flinke doses ironie, woordspel, dubbelzinnigheid en tegenstellingen. Maar evengoed is er de neiging het middelpunt te zoeken: in aforismen over heelal, God en universum, of in schrijnende portretten van zichzelf, 's nachts overgeleverd aan een groot donker niets, worstelend met 'muitende' gedachten van het type 'Hoe eenvoudig met veel moeite moet/ wat automatisch gaat en hoe ik hier verken/ dat ik intussen ooit was die ik ben.' Het is hetzelfde getob waaruit dan soms ineens luchtige waarheden kunnen vallen als 'Toch spijtig dat het altijd heden blijft', danwel 'Heel waardevol dat alles overgaat.'

Het maakt hem tot een dichter die woord voor woord gevolgd moet worden, omdat hij in elke wending kan ontsnappen. 'Blokje om' is een typische Schouten-titel, die veel lulligs voorspelt, maar leidt tot een serieuze overpeinzing: over de nietigheid van het eenzame individu bijvoorbeeld, oog in oog met zoveel buitenwereld, het universum, het licht van allang gestorven sterren. Daarna rest er alleen nog de dubbelzinnige troost van de thuiskomst, 'de warme blubber van binnen / waarbuiten het zo buiten is / van anderen en verre.'

Blokje om, universum, God, de warme blubber: op grond van zoveel vermenging van 'hoog' en 'laag' wordt Schouten nu wel een postmodernist genoemd, maar dat lijkt me vooral een typering van zijn buitenkant. Zijn tegenstellingen zijn van alle tijden: te vinden in de poëzie van Vijftig, bij Forum, in barok en middeleeuwen, in Zen en bij de oude Grieken. Ze zijn niet ingegeven door modern kunstbesef, maar eerder het gevolg van een oeroud dichterlijk inzicht: dat de wereld er op heldere momenten ('bij bewustzijn') heel anders uitziet dan in de halfbewuste sluimer van alledag. Zelfs God kent de ervaring van een afstand naar zichzelf te kijken, als we Schouten mogen geloven. Soms, als Hij zich 's avonds verveelt, breekt Hij 'maar eens een ongeopend dagje aan', als was het een zak chips. En dan treft hij tot zijn verwondering Zichzelf aan, 'hard bezig/ met de produktie van het universum'. Om daarna tevreden weer in slaap te vallen.