Schoolvak Nederlands dreigt een schrale cursus te worden

De staatssecretaris wil literatuuronderwijs en taalkunde uit het vak Nederlands halen. Een slecht idee, meent A. Braet.

Vlak voor de zomervakantie maakte staatssecretaris Netelenbos bekend wat er vanaf 1998 in de hoogste klassen van Havo en VWO onderwezen en geëxamineerd zal worden. In haar brief aan de Tweede Kamer suggereert ze dat haar beslissingen weinig nieuws bevatten. Niets is minder waar, er zijn centrale vakken die ingrijpend gewijzigd worden.

Een voorbeeld van een vak waarbij alle heen en weer gepraat een wel heel verrassende ontknoping heeft opgeleverd is 'Nederlandse taal en letterkunde'. Om te beginnen zal dit vak van naam moeten veranderen, want de letterkunde wordt eruit weggehaald en ondergebracht in een algemeen vak 'literatuur'. Bij het onderdeel 'taalvaardigheid' valt het schrappen van de schrijftoets, het opstel, uit het centraal examen het meeste op. Omgekeerd gaat één verwachte vernieuwing niet door: er komt geen taalkunde op het rooster, ook niet op het VWO.

Met deze beslissingen wijkt de staatssecretaris opvallend af van adviezen die de laatste jaren door twee overheidscommissies zijn uitgebracht. Dat is natuurlijk haar goed recht. Een gevolg is wel dat de inspraakrondes die de twee genoemde commissies - in opdracht van de staatssecretaris - over hun adviezen hebben georganiseerd, achteraf een farce blijken. Het is de vraag hoe, bijvoorbeeld, de kleine honderd leraren Nederlands die in de winter van 1990 een vrije zaterdag opofferden om in een onverwarmd schoolgebouw hun mening te geven over totaal andere voorstellen dan nu ingevoerd dreigen te worden, hierop zullen reageren. Zullen deze docenten in 1998 enthousiast aan de slag gaan om het nieuwe programma tot een succes te maken?

Maar het ergste is natuurlijk niet de gevolgde procedure, dat is de inhoud van de plannen. Een meerderheid van in de Kamer heeft gelukkig reeds vraagtekens geplaatst bij het meest opvallende idee: het weghalen van het onderdeel 'literatuur' uit alle talen om daar samen een verplicht vak 'wereldliteratuur' van te maken. De bewindsvrouwe lijkt echter voet bij stuk te houden. Volgens de pers zou ze de Kamerleden gewaarschuwd hebben wat minder te luisteren naar vakdocenten die bang zijn voor hun baan: 'Anders zou er nooit een steek veranderen.'

Maar het belangrijkste bezwaar tegen het weghalen van literatuur bij Nederlands is matuurlijk niet dat de leraren, maar dat het vak erdoor getroffen wordt. Kan men zich een zichzelf respecterend land - nee, ik denk niet alleen aan Frankrijk - voorstellen dat zijn moedertaalonderwijs zelfs in de hoogste vorm van het voortgezet onderwijs, berooft van onderwijs in de eigen literatuur?

Er zitten zeker aantrekkelijke kanten aan zo'n algemeen literatuurvak, maar het gaat niet aan om de eigen literatuur op voet van gelijkheid met de andere literaturen te laten behandelen. Niet dat onze literatuur beter zou zijn, het is wel onze literatuur. En om nog een keer de vergelijking met het buitenland te trekken: welk land zou zijn eigen literatuur laten doceren door leraren die daarvoor niet opgeleid zijn?

Minder sprekend, maar niet veel minder belangrijk is dat bij alle veranderingen één vernieuwing niet doorgaat. Tegen de adviezen van de twee genoemde, breed samengestelde commissies in wordt zelfs geen bescheiden plaats ingeruimd voor taalkunde, 'kennis van taal en taalverschijnselen' in het jargon. De staatssecretaris doet het voorkomen alsof de (meeste) commentaren op het laatst uitgebrachte advies zich tegen taalkunde uitspraken. Dit is niet het geval. Het heeft er alle schijn van dat zij zich heeft laten leiden door de persoonlijke afkeer van bepaalde beleidsmakers uit haar meer directe omgeving.

Opnieuw gaat het niet in de eerste plaats om de procedure. Hoofdzaak is dat een unieke kans wordt gemist om een eind te maken aan een historisch gegroeide misstand. Anders dan in bijvoorbeeld Duitsland en België wordt er in Nederland in de bovenbouw van Havo-VWO niets aan taalkunde gedaan.

Daardoor ontbreekt in ons onderwijs elke gerichte aandacht voor het zo fundamentele en boeiende verschijnsel taal. De principes van woord- en zinsbouw, de kwestie of taal aangeboren of aangeleerd is, de verhouding tussen standaardtaal en dialecten, het vraagstuk van taalverloedering of taalverandering: niets daarvan hoort tot de schoolstof. Voor het Havo valt dat misschien nog wel te billijken, maar voor het VWO niet. Het VWO faalt daardoor ook als voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, omdat de leerlingen een kennismaking met een substantieel onderdeel van alle talenstudies wordt onthouden.

Hebben leerlingen wel belangstelling voor dit soort taalkundige vragen? Jazeker. Blijkens een landelijke enquête en verspreide experimenten in bovenbouwklassen vinden zij dit soort onderwerpen wel degelijk interessant. Niet zo verwonderlijk, want er bestaat onder Nederlanders een brede en mogelijk zelfs groeiende belangstelling voor taal. Niet alleen de vele taalrubrieken in de media wijzen daarop, ook de verrassend sterk gestegen oplage van het populair-wetenschappelijke tijdschrift over 'taal en taalverschijnselen' Onze Taal geeft dit aan.

Het verwijderen van literatuur en het niet toelaten van taalkunde heeft tot gevolg dat het vak Nederlands louter uit praktische taalvaardigheidstraining zal bestaan. Nu ben ik de laatste om het belang daarvan te ontkennen, maar juist als specialist op dit terrein zeg ik dat het onverstandig is aan dit soort onderwijs een monopoliepositie te geven. De verwachte winst in de vorm van een grotere taalbeheersing weegt niet op tegen de verliezen die de afwezigheid van de andere vakonderdelen met zich meebrengt. Die verwachte winst lijkt trouwens illusoir, want alleen al de slechtere voorwaarden waaronder de docenten zullen moeten werken, maken deze onwaarschijnlijk.

Het hoofdbezwaar tegen de reductie van 'Nederlands' tot inhoudsloos taalvaardigheidsonderwijs is dat daardoor bij de leerlingen een eenzijdige kijk op taal in de hand gewerkt wordt. Zij zullen er niet meer dan een praktisch communicatiemiddel in zien. Dat taal op zichzelf ook een boeiend verschijnsel en drager van cultuuruitingen is, blijft buiten beeld. Dat is op zichzelf al erg genoeg, maar deze enge visie dreigt ook als een boemerang op het taalvaardigheidsonderwijs te werken. Als leerlingen niet geleerd wordt dat taal iets is om bij stil te staan, iets wat bijzonder interessant is en op subtiele wijze aangewend kan worden, zijn ze er minder gemakkelijk toe te brengen aan hun taalbeheersing te blijven werken. De toch al wijdverbreide houding 'als ze maar begrijpen wat ik bedoel' gaat overheersen.

Dit voornemen met het schoolvak Nederlands staat, is men geneigd te denken, niet op zichzelf. De uitspraken van Ritzen over het Engels, het idee van de Leidse universiteit om de leerstoel Nederlandse taalkunde op te heffen en nu dit plan, ze hebben - ondanks hun verschillende achtergronden - één element gemeen. Dat is de typisch Nederlandse 'weg-met-ons'-gedachte op cultureel gebied. De bekende Amerikaanse neerlandicus prof. Robert Kirsner, die niet alleen studie maakt van onze taal, maar ook van onze omgang met de Nederlandse cultuur, weet niet meer wat hij ermee aan moet. Protesteerde hij destijds nog heftig, en met succes, tegen de opheffing van de Leidse leerstoel, nu lijkt hij te berusten. Zijn reactie op de meest recente aanslag is een citaat van Gertrude Stein: 'Gij allen zijt een te gronde gaand geslacht.'

Er wordt over de inhoud van het schoolvak Nederlands, en niet alleen over dat vak, al decennialang een strijd gevoerd. Versimpeld weergegeven zijn er twee kampen: het elitair-culturele en het egalitair-functionele. Extreme vertegenwoordigers van het eerste kamp, die je onder universitaire neerlandici wel aantreft, willen het vak beperken tot taalkunde en letterkunde. Apart taalvaardigheidsonderwijs, zoals het leren schrijven van brieven en systematische instructie in het maken van samenvattingen, vinden zij overbodig. Zuivere functionalisten vind je vooral onder didactici en onderwijskundigen. De nu voorliggende voorstellen zullen zij als een overwinning zien. Die overwinning zou ze gegund zijn als duidelijk was dat een meerderheid, binnen en buiten het onderwijs, voor zo'n extreem functionalisme is.

De discussie van de afgelopen jaren heeft echter geleerd dat in het algemeen voor een tussenweg gekozen wordt. Dat is een schoolvak Nederlands dat uit een aan het schooltype aangepaste combinatie van taalvaardigheid, letterkunde en taalkunde bestaat. Een vak dat praktisch nuttig, cultureel verrijkend en intellectueel uitdagend is. Louter doordat het toeval heeft gewild dat een minderheid het op het beslissende moment voor het zeggen heeft, dreigt 'het belangrijkste vak van de middelbare school' (recent opinie-onderzoek onder het Nederlandse volk) nu uitgehold te worden. Iets om je drukker over te maken dan over een minimale spellingwijziging.