Onbestrafte volkerenmoord

Vahakn N. Dadrian, The History of the Armenian Genocide, Uitg. Beghahn Books, Oxford, 452 blz., ƒ 82,30

De oorlog in Bosnië heeft het begrip 'etnische zuivering' actueel gemaakt. Maar 'etnische zuivering' is natuurlijk veel ouder - waarschijnlijk even oud als het verschijnsel oorlog.

De term 'etnische zuivering' komt niet voor in het boek van Vahakn N. Dadrian. En toch was de massamoord op meer dan een miljoen Armeniërs door de Turken in 1915 een van de meest afgrijselijke voorbeelden van 'etnische zuivering' die de wereld in deze eeuw te zien heeft gekregen. De Armeense genocide was afgrijselijk om zijn omvang, om zijn wreedheid en om de systematiek waarmee een heel volk werd uitgemoord.

De Amerikaanse Armeniër Vahakn N. Dadrian, van huis uit socioloog, heeft twintig jaar besteed aan zijn studie, waarvan dit boek de neerslag vormt. Er zijn over de genocide op de Armeniërs in 1915 veel boeken geschreven, door academici en niet-academici. Dit boek is bijzonder, omdat het niet gaat om een bestudering van de genocide zelf, maar zich vooral bezighoudt met bijkomende, nooit beantwoorde en niettemin buitengewoon essentiële vragen - de vragen namelijk of de genocide bewust en gepland was en welke rol de internationale gemeenschap heeft gespeeld. Bijzonder is ook dat Dadrian voor de beantwoording van die vraag naast talloze boeken en Turkse, Armeense, Franse, Duitse, Russische, Britse en Amerikaanse kranten uit de periode tussen 1908 en 1920 ook de staatsarchieven van Turkije, Duitsland, Oostenrijk-Hongarije (bondgenoten in de Eerste Wereldoorlog), Engeland, Frankrijk en de VS heeft geraadpleegd. En in die archieven zijn talrijke documenten - officiële maar ook onofficiële, zoals dagboeken van diplomaten - te vinden, die het Dadrian mogelijk maken bovengenoemde vragen te beantwoorden.

Tijdens de negentiende eeuw ontwikkelde zich in het tanende Ottomaanse Rijk een wat Dadrian noemt culture of massacre. Het groeiend nationalisme bij de niet-Turkse volkeren in het rijk leidde steeds vaker tot opstanden die steeds hardhandiger werden onderdrukt: de Griekse opstand van 1821 en 1822 werd bestreden met massamoord, en massamoord was ook het Turkse antwoord op de verschillende Bulgaarse opstanden. In de jaren vijftig van de vorige eeuw werden in Libanon 40.000 maronieten - Christenen van Syrische afkomst- afgeslacht.

De Europese grootmachten grepen herhaaldelijk in en vooral de massamoord op tienduizenden Bulgaren in de jaren zestig leidde tot pan-Europese verontwaardiging. Ze dwongen uiteindelijk de Turken tot concessies aan de niet-Turkse en niet-islamitische volkeren van het Ottomaanse Rijk: niet-Turken en 'ongelovigen' zouden dezelfde rechten krijgen als de Turken. Ironisch genoeg zijn daarvan uiteindelijk de Armeniërs het slachtoffer geworden. Toen zij die rechten namelijk ook daadwerkelijk opeisten, en ze niet kregen - want de Turken hadden die concessies alleen maar gedaan om de Europese grootmachten tevreden te stellen, niet om ze ook uit te voeren - werd een 'Armeense kwestie' geschapen die de Turken in 1915 op hun manier 'oplosten'.

Dat oplossen gebeurde niet alleen in het oorlogsjaar 1915: de genocide verliep in etappes en begon in 1894-1896, toen in talrijke kleine en grote massaslachtingen 200.000 Armeniërs om het leven werden gebracht. In 1909 vermoordden de Turken 25.000 Armeniërs in Adana. Na het hoogtepunt in 1915, toen meer dan een miljoen Armeniërs werden gedeporteerd en op doorgaans afgelegen plekken van het Turkse rijk werden vermoord, vaak op zeer wrede wijze, ging het moorden door. In 1918 werden in Russisch Armenië 198.000 Armeniërs vermoord en in 1920 in Alexandropol nog eens 60.000. Slechts 300.000 Armeniërs overleefden die bloedbaden.

Het lijdt geen twijfel dat die reeks bloedbaden was gepland: het ging er de Turkse overheid uitdrukkelijk om, de aanwezigheid van de christelijke minderheid van de Armeniërs in Turkije - en de 'Armeense kwestie' - voor eens en voor altijd te beëindigen op de meest drastische manier die mogelijk was: door hen te liquideren. De massamoord van 1915 was gepland en georganiseerd. Eerst werd het Turkse parlement naar huis gestuurd en werd alle macht in handen gelegd van een kleine groep Ittihadisten (Jong Turken). Vervolgens werden de Armeense intellectuelen, priesters en politieke activisten bij nachtelijke razzia's opgepakt en geëlimineerd. Daarna werden alle weerbare mannen “opgeroepen voor de militaire dienst” en, als ze waren samengebracht, geliquideerd. Tenslotte volgde de deportatie van de rest van de Armeense bevolking, die niet langer in staat was weerstand te bieden. Ze werd overgebracht naar dun bevolkte streken en daar - voor zover de slachtoffers niet onderweg bezweken - op allerlei manieren vermoord: doodgeslagen, levend in brand gestoken, verdronken in zee, of opgesloten in grotten waarvoor een vuur werd aangestoken, zodat de slachtoffers stikten. De 'uitvoering' van de liquidatiebevelen werd vaak overgelaten aan criminelen.

Dat de genocide bewust en gepland was, valt niet alleen af te leiden uit de manier waarop ze werd uitgevoerd, maar ook uit uitlatingen van talrijke Turkse gezagsdragers, die er vanaf 1909 in hun contacten met diplomaten uit andere landen - vooral uit de bondgenoten Duitsland en Oostenrijk - geen geheim van maakten dat de christelijke minderheid fysiek moest worden geëlimineerd. “Vele intelligente Turken”, zo meldde de Oostenrijkse ambassadeur Pomiankowski, vonden dat de Turkse sultans in voorgaande eeuwen een onvergeeflijke fout hadden gemaakt door de Armeense minderheid niet te dwingen zich tot de islam te bekeren of uit te roeien en dat Turkije de eerste gelegenheid moest aangrijpen om die fout recht te zetten. Volgens Pomiankowski en zijn Amerikaanse collega Morgenthau - wiens contacten met de Turkse leiders zeer goed waren - was dit zelfs de belangrijkste reden om aan de oorlog deel te nemen: “De oorlogsomstandigheden gaven de Turkse regering haar lang verbeide kans zich van de Armeniërs te ontdoen.” De Turkse grootvizier (premier) Talaat zelf bevestigde dat tegenover een Duitse diplomaat: Turkije wil “van de oorlog gebruik maken om zijn interne vijanden - dat wil zeggen de autochtone christenen volledig - te liquideren zonder daarbij te worden gestoord door buitenlandse interventie”, zo werd Talaat geciteerd door dr.Mordtman, hoofd van de Armenië-desk bij de Duitse ambassade. Het gevaar van buitenlandse interventie joeg de Turken angst aan, en de verwijdering van de Armeniërs, zo redeneerden ze, zou ook voor eens en voor altijd de potentiële reden voor een interventie wegnemen.

Het Westen - niet alleen Wenen en Berlijn, de bondgenoten van de Turken, maar ook Londen en Parijs - wisten intussen alles van de genocide - en deden niets. Een van de conclusies van Dadrian is dat de Duitsers zelfs de genocide hebben bevorderd. Nog verbijsterender is de conclusie dat het Westen bewust de bestraffing van de schuldigen heeft verhinderd.

Veel diplomaten in Turkije hebben hun regeringen ten tijde van de massale moord daarvan op de hoogte gesteld. Sommige Duitse diplomaten hielpen de Turken een handje bij de massamoord. Generaal-majoor Fritz Bronsart von Schellendorf, verbonden aan het Turkse hoofdkwartier, heeft persoonlijk bevel gegeven tot de verdrijving van Armeniërs en wordt gezien als een van de initiatoren van de genocide. Hij gaf andere Duitse diplomaten, zoals de Duitse consul in Erzurum, strikt opdracht niet voor de Armeniërs tussenbeide te komen. “De Armeniër is net als de jood, een parasiet buiten de grenzen van zijn vaderland, die zich voedt met het beenmerg van het volk van zijn gastland”, zo schreef hij in een missive die Dadrian aantrof in het archief van het Duitse ministerie van Buitenlandse Zaken. Ook andere in Turkije dienende Duitse militairen hebben de Turken actief geholpen bij de massamoord. Volgens de Amerikaanse ambassadeur Morgenthau was de Duitsland het enige land dat de massamoord had kunnen voorkomen, door middel van ambassadeur Hans Wangenheim, die de Turkse leiders volledig in de hand had. Tegen Morgenthau zei Wangenheim: “Armeniërs en Turken kunnen niet in éérn land leven. Een van deze twee rassen moet verdwijnen. Ik neem de Turken niet kwalijk wat ze met de Armeniërs doen. De zwakkere natie moet bezwijken.” Een andere Duitse diplomaat, marine-attaché Hans Humann, noemde de uitroeiing van de Armeniërs “nuttig”

Na de oorlog, die niet alleen door Duitsland en het Habsburgse Rijk, maar ook door Turkije werd verloren, ontsnapten de belangrijkste schuldigen aan de genocide, onder wie Talaat, in november 1918 aan boord van een Duitse oorlogsbodem. Duitsland weigerde hen uit te leveren (Talaat werd overigens in 1921 in Berlijn op straat door een Armeniër vermoord). Deze fase is de enige in de geschiedenis waarin Turkije toegaf dat er van genocide op de Armeniërs sprake was geweest. Onder druk van de Westerse geallieerden kwam het tot een reeks processen tegen de belangrijkste Jong-Turkse verantwoordelijken. Turkije werd in 1920 in het vredesverdrag van Sèvres gedwongen de schuldigen te straffen. Er werd ook een handvol vonnissen uitgesproken - de gevluchte Ittihadisten, zoals Talaat, werden bij verstek ter dood veroordeeld. Maar daadwerkelijk gestraft werden maar zeer weinig schuldigen en het ging daarbij alleen om kleine visjes.

Bovendien verloren de Westerse landen al snel hun belangstelling voor de Armeense genocide en de bestraffing van de schuldigen: politieke prioriteiten gingen voor. De Britten probeerden het nog het langst. Maar nadat het Jong-Turkse bewind ten onder was gegaan en het nieuwe regime van Kemal Atatürk in Turkije aan de macht was gekomen - een aantrekkelijke partner in het nieuwe Europa - blokkeerden landen als Frankrijk en Italië met succes de Britse pogingen de massamoordenaars voor de rechter te krijgen. Het was politiek veel interessanter de sympathie van Atatürk te winnen. Ook de Britten hielden het toen al snel voor gezien. Sterker: uiteindelijk lieten ze een aantal gevangen verdachten aan de massamoord vrij in ruil voor een aantal 'krijgsgevangenen' die de Turken nog in handen hadden, onder wie zes Maltezer arbeiders en hun Griekse vrouwen en kinderen. Het was overigens Winston Churchill, toen minister van oorlog, die zijn regering overreedde de Turken maar liever vrij te laten.

Het toppunt van cynisme werd bereikt in 1923, toen de geallieerden, aangevoerd door Lord Curzon, met het nieuwe, kemalistische bewind een nieuw vredesverdrag sloten, het Verdrag van Lausanne, dat er opeens heel anders uitzag dan het Verdrag van Sèvres van 1920: de massamoord op anderhalf miljoen Armeniërs of de verplichting, de schuldigen aan de bloedbaden te straffen, kwamen met geen letter meer in het nieuwe vredesverdrag voor. Politieke overwegingen hadden het, drie jaar na de laatste slachtpartij op de Armeniërs, gewonnen van het geheugen, het geweten en het rechtvaardigheidsgevoel in het Westen.

Dat was een les voor Adolf Hitler. In 1939 zei hij: “Wer redet heute noch von der Vernichtung der Armenier?”