Onbestemde roman van Maarten 't Hart; Hij kan het wroegen niet laten

Maarten 't Hart, De nakomer. Uitg. De Arbeiderspers, 281 blz, ƒ 45,- (gebonden) ƒ 34,90 (ingenaaid).

Stel, de werkster wijst je op een ochtend op een stukje in een huis-aan-huis-blad, tussen advertenties voor tapijtreinigers en afslankkruiden, over een verzetsgroep die in 1944 door de Duitsers opgerold werd. De leden zijn gefusilleerd en men vermoedt dat ze verraden zijn, aldus de anonieme tekst, maar tot nog toe was onbekend door wie. 'Pas nu blijkt dat het zeer waarschijnlijk moet worden geacht dat de verrader nog altijd onder ons is. Het zou gaan om' - en dan volgt een naam waar je van schrikt. De achternaam is niet meer dan een initiaal, maar woonplaats en beroep zijn ook vermeld, dus je vergist je niet. Dit is jouw naam. Je weet van niets, je weet van geen verraad, maar daar staat het, zwart op wit. Wat moet je doen?

Het blaadje bellen, zou ik denken, vragen waar ze het vandaan halen en misschien meteen maar dreigen met een advocaat. Maar zo niet Simon Minderhout, rustend apotheker te Maassluis. Al laat hij zich naar eigen zeggen zelden uit het veld slaan, het berichtje treft hem als een 'doodvonnis'. Goed dat hij nog medicijnen uit de oude boedel van zijn zaak heeft liggen, denkt hij onwillekeurig. Slaappillen in alle soorten en maten, ruim voldoende om in één keer overal van af te zijn.

Met die gedachte, op tweederde van het boek, neemt het verhaal van De nakomer een woeste draai. Van een bedachtzame vertelling over een bescheiden leven, stap voor stap van kindertijd en werkende jaren naar een welverdiende oude dag, soms aardig, soms ook op de rand van saai, verandert het ineens in een gejaagd en claustrofobisch achtervolgingsavontuur. De arme Minderhout raakt na een tweede stuk, op groot formaat dit keer en in een echte krant, zo van de kaart dat hij het niet meer uithoudt. Hij ontvlucht zijn huisje en duikt onder. Hij doet precies, kortom, wat een verrader doen zou.

Met die raadselachtige beslissing breekt een ware hel over hem los. Hij geeft de media vrij schieten, en vooral de televisie laat de kans niet liggen. In een talkshow worden vrouwen opgetrommeld die hem nog van vroeger kennen, nog van voor de oorlog. Op het nieuws verschijnt een scriptie die hij in de jaren dertig schreef over het antisemitisme in de Duitse wijsbegeerte, gevolgd door een bebrilde academicus die er een 'onderbouwing' van het antisemitisme van maakt. In een misdaadprogramma wordt een therapeut geïnterviewd die ooit een familielid heeft behandeld van een jeugdvriend van de verdachte en dus niet alleen deskundig commentaar kan leveren maar ook ontbrekende gegevens kan verstrekken. Uit de eerste hand, bijna.

Binnen de kortste keren is de wereld overtuigd van Minderhouts verraad, begrijp ik. Maar de logica van die verwikkeling is me opnieuw een raadsel. Hoe uitzinniger de scène wordt, hoe moeilijker het is om die als werkelijk of op zijn minst bestaanbaar voor te stellen. Even daargelaten of ons land een halve eeuw na de bevrijding altijd nog zo hijgerig zou worden van geruchten over landverraad, in die zin is de oorlog langzaamaan toch echt voorbij. Het lijkt me stug dat niemand van de pers een keer op het idee zou komen na te vragen waarop de beschuldiging nu eigenlijk berust. Een anonieme bron? Een huis-aan-huis blad? En dan al die zendtijd? En een therapeut die komt vertellen wat hij in vertrouwen van cliënten hoort?

Overdrijven en doordraven heeft Maarten 't Hart in zijn romans (en zijn essays, vooral) van meet af aan gedaan, het hoort bij hem. Maar dit keer maakt hij het wel heel bont. Of je nu naar Minderhout kijkt, naar zijn anonieme aanklager of naar de media, je zoekt vergeefs motieven die je mee kunt voelen. Poppen zijn ze, ondergeschikt gemaakt aan een intrige die vervolgens zo grotesk wordt dat ze alle perken van de werkelijkheid, en daarmee van dit boek, te buiten gaat. 't Hart vergaloppeert zich in een mate die me ook na twee keer lezen nog verwondert. Hoe bestaat het, bij een schrijver van zijn rang?

Wat hij voor ogen moet hebben gehad, dat laat zich wel vermoeden, is een vertelling over schuld en schuldgevoel - een thema dat sinds jaar en dag al door zijn boeken spookt. Zijn karakters wijzen anderen als schuldig aan omdat ze zondebokken zoeken voor hun eigen schuldgevoelens, en ze voelen schuld omdat ze die nu eenmaal hebben - domweg door te eten wat een ander graag zou eten, door te hebben wat een ander graag zou hebben, door een onheil mis te lopen dat een ander daarna treft. Om te ontkomen aan die last ontwikkelen ze dikwijls een onstuitbare behoefte om te boeten, om iets goed te maken, en dat moet ook de verklaring zijn voor Minderhouts spontane imitatie van de verradersrol. Hij kan niet wachten om zijn schuld te dragen.

Het rare is alleen, je voelt het niet bij hem, en dat kon wel eens te maken hebben met zijn achtergrond. Hij woont in Maassluis, het dorpje waar 't Hart zelf is opgegroeid en waar hij in de regel juist zijn beste boeken over schrijft. Het is een bolwerk van het zwartste protestantisme, in zijn woorden, een welhaast gekantklost reservaat van schilderachtige figuren die de Schrift verbeten naar de letter volgen en een vroomheid betrachten waar de Here zelf nog tegenop zou zien. Hun wereld is tot in de verste hoeken dichtgetimmerd met verordeningen die hen zullen helpen om de schuld van het bestaan, de erfzonde, ten slotte af te wassen. Hun bestaan is overzichtelijk.

Zo niet dat van Minderhout. Al woont hij sinds de jaren dertig in Maassluis, hij komt er niet vandaan, en erger - hij is niet gereformeerd. Als jongen al heeft hij terloops een keer besloten dat de Here niet bestaat, en sinds die dag moet hij het doen met chronische onzekerheid. De wereld is onkenbaar, zegt hij, het bewustzijn is ongrijpbaar en het zogeheten lot is toeval. 'Je zou beter kunnen leven met een stuiver op zak die je, telkens als je een beslissing moet nemen, opgooit', leert hij van zijn vader. 'Het enige is: zelfs kruis of munt zijn meestal lood om oud ijzer (...).'

Op die deprimerende morele schroothoop zouden schuldgevoelens overbodig moeten zijn, zou je denken - waar willekeur regeert hoeft niemand zich per slot iets te verwijten. Maar het ingewikkelde voor Minderhout, als ik het goed zie, is dat hij het wroegen toch niet laten kan. De Here bestaat niet, maar ziet alles. Ergens in zijn hoofd zit een relict, een oud gevoel dat niet meer in zijn wereld past, in het bezield verband van een geloof, en daarom ook niet meer valt beet te pakken. Hij voelt het, onophoudelijk zelfs, maar wat is het dat hij voelt?

Het is die onbestemdheid, denk ik, die De nakomer ook in zijn geheel parten speelt. Een wereld die voor schuld geen plaats meer weet omdat ze geen bezield verband meer heeft, is niet alleen de wereld volgens Minderhout, maar ook de wereld van dit boek. Gebeurtenissen vallen uit de lucht als aangeschoten eenden, drijfveren van karakters zijn onduidelijk of willekeurig, kruis of munt blijft lood om oud ijzer. Meer misschien wel dan enig ander boek van 't Hart laat De nakomer zien waar hij mee worstelt sinds hij in de jaren zestig brak met het geloof der vaderen, en heiden en schrijver werd. Niet het geloof, zoals je denken zou, maar het ongeloof. Niet de schuld, maar de onmogelijkheid om die te delgen.

Uit: Maarten 't Hart, De nakomer

De tijd verstreek, de lucht werd diepblauw, de hagel was in regen overgegaan, hij zag de druppels dalen langs het gele licht van de straatlantaarns. Er werd weer iets door zijn brievenbus gegooid. Er werd aangebeld, hij hoorde gejoel van stemmen. Hoewel hij tamelijk moeizaam overeind kwam, bleek hij onverwacht kwiek naar zijn voordeur te kunnen lopen. Behoedzaam opende hij hem. Er was niemand. Belletjestrekkers, dacht hij verbaasd. Hij keek nog even naar de regendruppels, sloot toen zijn deur.

Op de mat achter de voordeur lagen twee exemplaren van het Rotterdams Nieuwsblad. Omdat hij niet op die krant geabonneerd was, begreep hij niet waarom hij opeens twee exemplaren toebedeeld had gekregen. Hij raapte ze op, liep ermee naar de woonkamer, nestelde zich weer in zijn leunstoel. Hij bladerde een van de kranten door en sloeg het vrijdagavondbijvoegsel open. Onder aan de pagina stond een klein fotootje van hemzelf.