Nederlandse optredens aan het slot van muziekfestival in Salzburg; Festspiele in het teken van het afscheid

SALZBURG, 30 AUG. De 76ste editie van de Salzburger Festspiele heeft dit weekeinde een Nederlands getinte afsluiting. Vanavond speelt het Concertgebouworkest onder leiding van chefdirigent Riccardo Chailly werken van Schönberg en Bruckner in het Grosse Festspielhaus. Tegelijkertijd dirigeert Edo de Waart daarnaast de laatste voorstelling van Le Nozze di Figaro. En morgenavond zit het Concertgebouworkest opnieuw in de bak voor de derde voorstelling van Moses und Aron.

Edo de Waart is de vervanger van Nikolaus Harnoncourt, die eerder dit jaar de samenwerking met de Festspiele opzegde, omdat men zich daar volgens hem te veel om regie en te weinig om muziek bekommert. De Waart is geen echte Mozart-dirigent, maar zijn mooi verzorgde interpretatie, zonder harde overgangen in tempo en dynamiek, bescheiden de zangers volgend is wel efficiënt - 'risicoloos' aldus sommige kranten hier, hooguit getuigend van degelijk kapelmeesterschap, maar volgens anderen juist vakkundig en zelfs bevlogen.

Het grootste struikelblok van deze Nozze, een enigszins aangepaste reprise van vorig jaar, is de regie. Of eigenlijk vooral het lompe schrootjeskasteel dat dienst doet als decor (ontworpen door Richard Peduzzi). Regisseur Luc Bondy, een van Mortiers vrienden uit zijn Brusselse tijd, laat zijn personages een beetje verdwaasd in die houten doos ronddolen. Hij lijkt humor te verwarren met aanstellerij. Dmitri Hvorostovsky (Graaf Almaviva) loopt voortdurend klungelig aan zijn manchetten te sjorren, Ildebrando d'Arcangelo (Figaro) probeert zowel vocaal als acterend - zonder veel succes - te bewijzen dat hij net zo'n podiumpersoonlijkheid is als Bryn Terfel, die de rol vorig jaar zong, en Trudeliese Schmidt (Marcellina) acteert als een verdwaalde operettezangeres.

Gezongen werd er over het algemeen wel heel mooi, door Soile Isokoski (die Gräfin, aanvankelijk wat scherp maar later steeds ontspannener) en Dorothea Röschmann (Susanna, meer kattig dan lieflijk) en vooral door Susan Graham, die haar rol van Cherubino een heel eigen karakter gaf.

De Festspiele van 1996 waren als deze Nozze: niet slecht, bij vlagen interessant en aangenaam, maar zeker niet spectaculair. Het waren de Festspiele van het afscheid; van zangeres Leonie Rysanek en operadirigent Georg Solti. Maar verder vooral ook van dirigent Nikolaus Harnoncourt, toneelprogrammeur Peter Stein en dirigent Riccardo Muti. Alle drie rebelleerden ze tegen Gerard Mortier, de intendant die de eerste vijf jaar in Salzburg erop heeft zitten.

Het vertrek van Harnoncourt wordt door Mortier zeer betreurd. Hij gaat ervan uit dat de band tussen Salzburg en de eigenzinnigste dirigent van de historische uitvoeringspraktijk in de komende jaren hersteld zal worden. Het vertrek van Muti daarentegen hoeft niet te verbazen. Vanaf het begin (Muti's weigering in 1992 op het allerlaatste moment om akkoord te gaan met de regie van Karl-Ernst Hermann van La Clemenza di Tito) waren er conflicten tussen de dirigent en de intendant. Over geen enkel voorstel wisten ze dit jaar tot overeenstemming te komen. Muti is volgens Mortier veel te conservatief, zowel in de keuze van de zangers als in zijn regie-opvattingen en, zeker zo belangrijk, hij heeft geen zin om de pianorepetities bij te wonen, om daarmee in een vroeg stadium zijn stempel op de uitvoering te drukken. Mortier is dus niet rouwig om Muti's vertrek, zoals hij meldde in een persbericht, waarin hij meteen een indrukwekkend rijtje dirigenten opsomde die de komende jaren wel in Salzburg te zien zullen zijn, onder wie Abbado, Gergiev, Gielen, Levine, Maazel en Rattle.

Ook van het vertrek van Peter Stein, dat in de Oostenrijkse pers zeer wordt betreurd, was Mortier niet onder de indruk. Zijn contract liep af en het was al langer duidelijk dat het (mede gezien Steins exorbitante financiële eisen) niet verlengd zou worden. Het is volgens Mortier nu zaak om een opvolger te vinden die voortgaat op de weg die Stein in de afgelopen jaren is ingeslagen - want Steins artistieke kwaliteiten staan niet ter discussie.

Het grootste obstakel wacht echter komend jaar. Dan vinden onderhandelingen plaats over het contract met de Wiener Philharmoniker, dat in 1997 afloopt. Ook Mortier zelf ziet dat als een belangrijk moment. Op de vraag van een Oostenrijkse journalist of het tot een confrontatie zal komen, antwoordt Mortier beslist: “De overeenkomst met de Wiener Philharmoniker zal over mijn toekomst in Salzburg beslissen. Als het orkest mij werkelijk niet wil, hoeven ze alleen maar het contract niet te verlengen. Geen politicus zou het aandurven mij dan nog te steunen.” Mortier legt nog eens omstandig uit hoe groot zijn waardering voor het Weense orkest is. Maar hij weet heel goed dat Salzburg niet alleen de Weners nodig heeft, maar ook omgekeerd.

Mortier ziet zijn toekomst dan ook met vertrouwen tegemoet en lijkt vechtlustiger dan ooit. Zijn contract is onlangs voor nog eens vijf jaar verlengd, en wat hem betreft is de tijd van compromissen voorbij. Dat betekent vooral dat dirigenten moderne regisseurs moeten accepteren. Als de Wiener Philharmoniker een Mozart-opera met Gardiner wil doen, is hij volgens Mortier van harte welkom, “maar alleen als hij geen regisseur eist die nog ouderwetser is dan die waarmee Muti altijd aankomt.”

Volgend seizoen is de eerste grote test. In een programma dat volgens Mortier voor het eerst volledig aan zijn eisen voldoet, zijn dan in het Grosse Festspielhaus drie 20ste-eeuwse opera's te zien. Mortier moet daarvoor 36.000 kaarten aan de man zien te brengen.