Moeders en dochters getuigen

Olivia Bennett, Jo Bexley, Kitty Warnock (ed.), Vrouwen in oorlog. Ervaringen uit Liberia, Somaliland, Tigre, Uganda, Rwanda, India, Sri Lanka, Vietnam, El Salvador, Nicaragua, Kroatië, Bosnië en Libanon, Jan Mets/Novib/NCOS 1996, vert. Francine Spiering (Arms to fight, arms to protect 1995), 341 blz., ƒ 34,50, ISBN90-5330-166-6

“We gingen het oerwoud in en daar baarde ik een zoon. (...) 's Avonds kwam een oude vrouw voorbij, een van onze buren (...). Ik hoopte dat zij als grootmoeder begrip zou hebben voor mijn hachelijke situatie. (...) Ze vroeg naar de baby en haar stem klonk sympathiek. Toen ze zag dat het een jongen was (...) raapte ze een stok op en sloeg het kind. Het kreunde maar één keer en toen was hij dood. Hij was tien uur oud.”

In het onlangs verschenen boek Vrouwen in oorlog, dat binnen enkele maanden al een tweede druk beleefde, zijn de getuigenissen afgedrukt van zo'n negentig vrouwen uit dertien landen waar zich onlangs gewapende conflicten hebben voorgedaan of zich nog voordoen - burgeroorlogen, revoluties, conflicten met buurlanden en wat dies meer zij. Anders dan aan het begin van deze eeuw, toen bij oorlogen de burgerbevolking nog maar zo'n tiende deel van de slachtoffers uitmaakte, bedraagt dat aandeel nu reeds 75 procent, onder wie vrouwen en kinderen. Maar het cliché 'vrouwen en kinderen' wordt in dit boek met recht gekritiseerd. Want niet alleen kunnen vrouwen daderessen zijn, zoals het bovenstaande citaat van een Rwandese Tutsi over haar Hutu-buurvrouw laat zien, ook vrouwelijke slachtoffers staan meestal niet zo passief en hulpeloos in het leven als die uitdrukking suggereert. Het zijn, blijkt uit de opgetekende verhalen en uit allerlei VN-rapporten, meestal vrouwen die in tijden van nood de verantwoordelijkheid nemen voor kinderen en ouderen, en het zijn eveneens meestal vrouwen die het initiatief nemen tot wederopbouw - vaak ook nog tot woede van hun mannen, die nogal eens in lethargie verzinken of alleen belangrijk werk willen, ook als dat er niet is.

Helaas wordt met dergelijke gender-gegevens in hulpverleningsprogramma's onvoldoende rekening gehouden. De Somalische Zamzam vertelt bitter over instanties die zich op grond van informatie over de traditionele inheemse 'cultuur' tot de mannen wenden: “Het maakt niet uit of de man te veel qat eet of dat de vrouwen economisch actief zijn - hij is en blijft degene die beslissingen mag nemen.” Ook smartegelden worden door de NGO's (niet-goevernementele hulporganisaties) aan het gezinshoofd uitbetaald, al is diens vrouw degene die het gezin in stand houdt of poogt wat groente te verbouwen voor een nieuw bestaan.

Soms verandert oorlog de seksenverhoudingen, bijvoorbeeld als vrouwen in bevrijdingsbewegingen als gelijken meedoen. Dat is echter zeldzaam en op termijn valt het effect tegen. In Nicaragua won, toen de strijd gestreden was, het traditionele machismo weer veld. In de Ethiopische bevrijdingsbeweging heerste enige tijd een niet-huwelijksverordening; dat had als aangename bijwerking dat er tussen mannen en vrouwen gesprekken mogelijk bleken, maar of die nieuwe verstandhouding de vrede overleeft valt nog niet te zeggen. Een oude Vietnamese vrouw zegt dat het haar lot als oorlogsinvalide is alleen te blijven, terwijl “mannen die zoals ik gewond zijn geraakt, nog steeds kunnen trouwen, en wanneer ze ziek worden, hebben ze hun vrouw en kinderen om voor ze te zorgen”.

Seksueel geweld (ook van de kant van 'beschermers') wordt sinds de onthullingen over Bosnië langzaamaan als oorlogsmisdrijf erkend. Toch is dit wapen niet nieuw. Veel slachtoffers moeten het na een verkrachting bovendien stellen zonder steun en medeleven, of ze worden door hun familie en gemeenschap op godsdienstige gronden zelfs uitgestoten (een lot dat ook veel weduwen treft). Daarna rest hun vaak slechts prostitutie als middel van bestaan. Prostitutie, grootschalig seksueel oorlogsgeweld, massale gezinsontwrichting en vluchtelingenstromen maken oorlogen tot een voorname oorzaak van de wijde verspreiding van aids in een aantal Afrikaanse landen.

Vrouwen hebben zich als 'heldenmoeders' geïdentificeerd met bijvoorbeeld etnische agressie, ze hebben ook 'als moeders' tegen oorlogen geprotesteerd. Ugandese vrouwen beschouwen oorlog zelfs expliciet als een onzinnige machtsstrijd tussen hebzuchtige mannen, en vrede als vrouwenwens. Maar Vrouwen in oorlog geeft voor een veralgemening van die visie weinig grond, al blijft het natuurlijk een feit dat vrouwen nagenoeg nergens zeggenschap hebben over zaken van oorlog en vrede.

Het mooie aan deze uitgave is dat er goed geluisterd is naar de verhalen van zeer verschillende vrouwen en dat die verhalen zo te zien tamelijk onbewerkt zijn genoteerd. Die veelvormigheid maakt duidelijk dat er niet één vrouwelijke ervaring, beleving of mening bestaat. Maar tegelijkertijd bewijzen de getuigenissen dat de factor gender er in oorlogssituaties toe doet, en dat met sekseneutrale woorden als 'vluchteling' essentiële feiten en verschillen worden genegeerd.