Kersen

De droom over het ultieme kunstwerk kan niet heelhuids in een boek worden getransponeerd, meent Annie van den Oever in Gelijk een kuip mortel die van een stelling valt (1992), “want het gaat niet goed met de dromen die in vervulling gaan”. Zij heeft het over Louis Paul Boons De Kapellekensbaan en ik ruk haar zinnen hier van harte uit hun verband.

Moderne kunstenaars zoals Boontje dromen niet van het ultieme kunstwerk en àls ze het doen noemen ze het dagdromen, peinzen in het atelier of mijmeren voor de tekstverwerker. Simpelweg dagelijks terugkerend werk: het wiel uitvinden en hopen per ongeluk met de neus in de boter te vallen. Bovendien zou het vervaardigen van het 'ultieme kunstwerk' de rest van het oeuvre degraderen tot vingeroefening, toch? Zo gezien zijn dromen die in vervulling gaan geen hersenschimmen, maar beloning voor hard werken, stevig denken, intense ontvankelijkheid. Gorters Mei is nog steeds het schoolvoorbeeld en sinds 1988, toen Wiel Kusters' essaybundel De geheimen van wikke en dille verscheen, peins ik op onweerzwangere nazomeravonden over Gorters regels: 'Dan blies een jongen als een orgelpijp,/ De klanken schudden in de lucht zo rijp/ Als jonge kersen, wen een lentewind/ In 't bosje opgaat en zijn reis begint'. Kusters wees namelijk op de tegenstelling tussen zomeravond en lentewind, en concludeerde: “Zo spelen ook de woorden nieuw, oud, laat en jong voortdurend door elkaar heen in deze proloog, op een wijze die hen bijna tot met elkaar samenvallende begrippen maakt.” Ha! dacht ik, Gorter dagdroomde, ook hij luisterde naar des sferen zang. In een droom valt immers van alles en vooral nog wat samen, water stroomt omhoog en ijs staat in brand. Ook in zijn vorig jaar verschenen bundel Ik graaf, jij graaft honoreert Kusters mijn indruk dat Gorter langdurig dagdroomde: “Het is duidelijk dat nuchtere overwegingen voor Gorter geen enkele rol kunnen hebben gespeeld.” Helaas gevolgd door de deerlijke misvatting “'De klanken schudden in de lucht zo rijp/ als jonge kersen'. Klanken als kersen? Als ik iets moet verzinnen, valt er hooguit een visueel verband te leggen tussen muzieknoten met stokken enerzijds, en kersen met steeltjes anderzijds.” Anno 1988 waren het volgens Kusters rijpe meikersen, zeven jaar later als hij 'iets moet verzinnen' zijn het zinnebeeldige muzieknoten. Maar Gorters klanken schudden sinds 1889 door de lentewind, zonder gedruis, eenvoudig oorzaak en gevolg. Oeps: een akelige gesteen, steent uit de diepten op ... 't wordt klank! 't Zijn galmen, met geen woorden af te malen (A.C.W. Staring). Gorter kende “de ogenblikken waarin de natuur zich aan ons voordoet als bezield, een woord tot ons spreekt in geen klank weder te geven.” Voor de zekerheid ging hij regelmatig voor de mist van de tijd staan en fluisterde: “Zijt gij er, zijt gij er,/ schoonheid? ik wacht u wijd,/ in 't duister weidt ge er, weidt ge er?” Na een witregel hoorde hij “honderdtongig gefluister:/ 'ik ben er, ik ben er', maar de nevel/ bewaart zijn vloeiende duister.”

Inderdaad, in diffuus licht wieken de vleugels van de waan optimaal en komen kokette kersen klinkklanken als de klepperende kloten van een koddebeier met een kolossale kolder in de kop. Dromen zijn pitten waaraan de kers ontbreekt.

    • Peter Yvon de Vries