Joseph. P. Kennedy (1888-1969); Zaken, paarden en vrouwen

Ronald Kessler, The sins of the father. Joseph P. Kennedy and the dynasty he founded, Warner Books, 480 blz., ƒ 52,40.

Joe Kennedy was president Roosevelts Paard van Troje in het hart van de Amerikaanse beurswereld: een gefortuneerd zakenman die met de duivel onder één deken had geslapen maar zich als latter-day saint aan de president verhuurde om Wall Street met de New Deal te verzoenen.

Kennedy was de eerste voorzitter van de Securities Exchange Commission (SEC), een van de belangrijkste instrumenten waarmee Roosevelt in 1935 de grootste machtsmisbruiken in het Amerikaanse economische systeem te lijf ging. Hij had de zakenman-miljonair uit Boston tot waakhond van Wall Street gebombardeerd omdat deze als geen ander thuis was in de 'tricks of the trade', om niet te zeggen empirisch geschoold in de meer esoterische vormen van manipulatie en fraude. Roosevelt had Kennedy overigens niet zonder reserves aan boord gehaald. Hij haatte zijn onbehouwen conservatisme en zijn kolossale ego, maar hij had hem gekozen omdat hij Kennedy bij uitstek geknipt vond om de archaïsche Amerikaanse beurswereld te temmen. “Met dieven moet je dieven vangen”, zo motiveerde hij de benoeming tegenover zijn persoonlijke medewerkers. En die beseften wel dat de Boss de enorme bedragen die Joe Kennedy in Roosevelts verkiezingskas had gestort niet onbeloond kon laten.

Hoewel zijn benoeming in het Roosevelt-kamp op heel wat verzet stuitte (volgens het invloedrijke New Deal-gezinde weekblad The New Republic was de president er maar half van op de hoogte dat zijn waakhond zelf door financiële manipulaties fortuin had gemaakt) sleepte Kennedy een aantal regulerende maatregelen door de beurswereld die de critici weldra deden inzien dat de president 'the right man in the right place' had benoemd. Kennedy had volgens zijn opponenten de publieke zaak weliswaar vaak met zijn eigen financiële belangen verward, maar hij was onmiskenbaar de bekwaamste onderhandelaar die voor de president en voor de New Deal in het krijt kon treden. De populariteit die hij al kort na zijn aantreden als voorzitter van de SEC bij de Amerikaanse pers verwierf, ontleende hij aan een combinatie van gemoedelijkheid en geslepenheid. De journalisten aten uit zijn hand sinds hij, in navolging van de president, informele persconferenties bij de haard gaf, waarop hij behulpzaam was bij het interpreteren van de gedachten van de president en tips uitdeelde over machinaties binnen het regeringsapparaat.

De voorzitter van de SEC was een geboren onderhandelaar. Tegen zijn onderhandelingstechniek was geen tegenstander opgewassen. Kennedy, zo schrijft zijn biograaf Ronald Kessler, hield van onderhandelen zoals hij van vrouwen hield. Kessler beschrijft Kennedy's prioriteiten in een vaste volgorde: 1. zijn particuliere financiële belangen, 2. onderhandelen, 3. zakendoen, 4. paardenraces, 5. vrouwen. Kennedy was volgens Kessler (evenals eerdere biografen) een even pathologisch als onbeschaamd vrouwenjager, een onstuitbare Don Juan, die buiten zijn huwelijk - dat hoog-katholiek en onaantastbaar was - tientallen jonge vrouwen versleet. Zijn stormachtige relatie met Gloria Swanson, de seksgodin van de stomme film met wie hij ook de eerste sprekende films produceerde, bracht de Kennedy-dynastie zelfs zo ernstig in gevaar dat de Bostonse kardinaal O'Connell, die Joe Kennedy en Rose Fitzgerald in 1914 in de echt had verbonden, zich ermee ging bemoeien. De kardinaal probeerde Swanson van Kennedy los te weken. Maar de niet-katholieke filmster liet zich niet door zijn purper imponeren en de kardinaal droop onverrichterzake af. Niet veel later ontdekte Swanson dat de tweeslachtige Joe Kennedy zelf de kardinaal op haar had afgestuurd, omdat hij de relatie, die hem intussen boven het hoofd was gegroeid, niet zelf durfde af te breken.

Joe Kennedy was een prominente 'Ierse' katholiek die volgens de rooms-katholieke zedenleer permanent in zonde leefde, maar de kerk zag dat in zijn geval door de vingers omdat hij niet op zijn geld zat. Een prelaat die voor een gift aanklopte en ook het Vaticaan zelf stelde hij nooit teleur. De New Yorkse kardinaal Francis Spellman bekeek Kennedy's buitenechtelijke bezigheden met pontificale tolerantie en ging daarin zover dat hij de mooie vriendinnen met wie Kennedy bij hem kwam lunchen wel als 'nichtjes' wilde accepteren.

Dat Joe Kennedy daarvoor wel heel speciale arrangementen had ontworpen, wisten Spellman c.s. lange tijd niet, evenmin als de fiscus. Uit de belastingdossiers die Kessler heeft ingezien, blijkt dat Joe Kennedy's weldoenerschap, met de volle medewerking en wetenschap van het Vaticaan, maar voor een deel uit charitas bestond en voor de rest uit fiscale fraude. Bij de inkomstenbelasting stond hij niet geregistreerd onder het nul-tarief. Maar hij kwam daarbij soms aardig in de buurt, doordat hij een miljoen naar het Vaticaan overmaakte, dat bedrag voor de inkomstenbelasting aftrok en vervolgens de helft van zijn gift van het Vaticaan terugkreeg. Hoe hij die afspraak met Rome had kunnen maken, vermeldt Kessler niet. Maar de suggestie die aan deze U-bocht-constructie kleeft, is dat Kennedy vrienden had onder hoge functionarissen in het Vaticaan (onder wie kardinaal Pacelli, de latere paus Pius XII), die wel bereid waren abusievelijk te hoog uitgevallen schenkingen ('spijtgiften') te retourneren. Met een bisschop in zijn eigen diocees maakte Kennedy al een even vindingrijke afspraak: hij stortte op de rekening van het diocees een miljoen dollar, in ruil voor contanten ($ 950.000) die uit collectes waren binnengekomen. Kennedy schonk dus zelf vijftigduizend dollar. De fiscale aftrekpost die hij voor zijn storting (van een miljoen) kon innen, was vervolgens een veelvoud van die vijftigduizend dollar. Toen de belastingdienst een discreet onderzoek instelde naar zijn buitensporige aftrekposten dekte Kennedy zich bij president Roosevelt tegen mogelijke vervolging in door zich als de belangrijkste supporter voor diens herverkiezing op te werpen. Kennedy, die zelf presidentiële ambities koesterde en regelmatig tegen Roosevelt ageerde, sprak zich publiekelijk voor een nieuwe ambtstermijn van Roosevelt uit en schreef zelfs een boek waarin hij 'FDR' ophemelde. Fiscaal pardon leverde hem dat overigens niet op. Kennedy kreeg een formidabele aanslag voor 'achterstallige' belastingen. Hij mocht wel blij zijn dat ze zo clement waren geweest er geen strafzaak van te maken.

Kennedy had gehoopt dat Roosevelt hem voor bewezen diensten in de regering zou opnemen. Maar in plaats van de portefeuille van financiën, die hij boven alles ambieerde, beloonde Roosevelt hem in 1939 met een post overzee,hoofdzakelijk om Kennedy een aantal jaren uit zijn buurt te houden. Door hem als ambassadeur naar Londen te sturen, dacht Roosevelt tegelijkertijd van een presidentiële rivaal en een politieke stoorzender verlost te zijn. In dat laatste vergiste Roosevelt zich deerlijk. Kennedy bleef hem uit 'het hof van St. James' bestoken met zijn ongevraagde adviezen dat Amerika buiten de oorlog in Europa moest blijven. Doordat Kennedy nooit zijn mond kon houden en vaak openlijk kritiek op het regeringsbeleid leverde, werd hij steeds meer een doorn in het oog van de president. Maar nog erger was dat hij de Engelsen irriteerde, doordat hij in zijn (spoedig uitlekkende) rapporten aan Washington de zijde koos van de appeasers, zijn bewondering voor Hitler uitsprak en bij herhaling een overwinning van Duitsland voorspelde. Engeland, meende hij, was een vermolmde democratie die de innerlijke kracht miste om zichzelf te verdedigen. Het eens machtige Albion was over zijn hoogtepunt heen, stond voor een bankroet en was daarom de steun van Amerika niet waard. In al zijn defaitistische publieke uitspraken klonk ook een antisemitische ondertoon door. Roosevelt liet te veel zijn oren hangen “naar de joodse invloeden in de Amerikaanse pers”. Maar een groot deel van het Amerikaanse volk liet zich daardoor niet van de wijs brengen. Het had volgens Kennedy wel begrip “voor de houding van Duitsland tegenover de Joden”.

Kennedy's telegrammen (die ook door de Duitsers werden onderschept) behoorden tot Hitlers favoriete lectuur, maar in Berlijn lieten ze zich niet echt misleiden: ze wisten daar drommels goed dat de reactionaire miljonair Joe Kennedy meer inzat over het lot van zijn aandelen op de Amerikaanse beurs dan over de toekomst van de democratie in Europa.

Hoe Joe Kennedy weer in Amerika terugkeerde blijft onopgehelderd. Ronald Kessler geeft geen uitsluitsel over de vraag of Roosevelt zijn ambassadeur terugriep en hem in december 1940 het Witte Huis uitschopte (zoals zijn zoon James heeft beweerd) of hem toestond de eer aan zichzelf te houden. Maar zijn boek geeft meer inzicht dan vorige biografieën in de verlegenheid die Kennedy bij president Roosevelt en bij een aantal ministers met zijn anti-Britse oprispingen veroorzaakte. Henry Morgenthau jr drong op Kennedy's ontslag aan, omdat de VS in Londen 'eerloos' vertegenwoordigd werden door een 'lafaard'. Roosevelt zelf werd het meest gekweld door zelfverwijt, omdat hij op het belangrijkste moment in de wereldgeschiedenis een persoonlijk afgezant naar het belegerde Engeland had gestuurd die Engeland niet bleek te kennen en 'totaal gespeend was van politiek inzicht'.