Je koopt het omdat het een geheim in zich draagt; De verzameling van schilder Jaap Hillenius

Als jongen van een jaar of dertien zag Jaap Hillenius (1934) in de etalage van de Amsterdamse etnografica-handel Lemaire 'drie zittende poppetjes met heel lange armen. Ik stond aan de grond genageld'. Drie jaar later kocht hij zijn eerste pre-columbiaanse beeldje. Zijn meest recente aanwinst, een kleurig Braziliaans verenmasker, heeft hij sinds een paar dagen in huis. Geruild voor drie Afrikaanse beeldjes.

De collectie etnografica neemt ongeveer de helft van de wanden in beslag van het als woonkamer ingerichte atelier. Eén muur is bewust leeg gelaten. Boven een kast met kleine voorwerpen hangt, hoog aan de wand, een reeks schilderijen van Hillenius zelf, een klein overzicht van het werk dat hij sinds 1970 maakt. Het zijn studies van licht en kleur. Zijn hartstocht voor etnografica is in zijn eigen werk niet aanwijsbaar, zegt hij, maar het ontstaat wel uit dezelfde bron.

Bij het verzamelen gaat het om intuïtie, om dat onontkoombare moment waarop een voorwerp je aanraakt, je van binnen emotioneert, vertelt Hillenius. “De analyse komt later, net als bij het schilderen. Je koopt het omdat het een geheim in zich draagt.” Hij pakt een pre-columbiaanse urn van een plank waarin kinderen werden begraven. “De bron van alle kunst is het bezweren van doodsangst, de angst voor het onbegrijpelijke”. Hij wijst op de geometrische decoraties waarin je een gezicht kunt herkennen. Zulke patronen fascineren hem: “Het uitgangspunt is steeds een strak stramien, maar ze hebben de vrijheid genomen om het al doende te veranderen.”

Hillenius bezit etnografica uit alle delen van de wereld: uit Oceanië, Indonesië en Afrika, pre-columbiaanse kunst en kunst van de Australische aboriginals. In het begin leerde hij veel door de meedeelzaamheid van Aldo van Eyck en zijn vroegere buren de schilder Jaap Wagemaker (1906-1972) en Jan Wolkers. Hij weet nog hoe Wagemaker en Wolkers nog eens gedobbeld hebben om de vraag wie een bepaald beeld mocht kopen.

Wekelijks bezoekt Hillenius samen met zijn vrouw etnografische winkels. Voor sommige aankopen moet hij zich in de schulden steken. Daarna durft hij een bepaalde winkel even niet meer in. Tot hij 'weer schoon' is.