Ieder mens wil een martelaar zijn; Gesprek met A.F.Th. van der Heijden

Ergens bij A.F.Th. van der Heijden op zolder ligt het grote boek dat hij op zijn zestiende schreef en 'waar alles in stond'. Hoewel hij dat boek als een puberfantasie beschouwt, begint zijn romancyclus 'De Tandeloze Tijd' veel op die allesomvattende roman te lijken “Juist omdat het om één boek gaat probeer ik in elk deel een andere toon aan te slaan. Dat is de hink-stap-sprong van het vertellen.”

A.F.Th. van der Heijden: Het Hof van Barmhartigheid. Uitg. Querido. 656 blz. Prijs ƒ 57,50 en ƒ 72,50 (geb.); A.F.Th. van der Heijden: Onder het plaveisel het moeras. Uitg. Querido. 768 blz. Prijs ƒ 57,50 en ƒ 72,50 (geb.); Groepsportret - Wie is wie in De tandeloze tijd van A.F.Th. Uitg. Querido, 88 blz. Prijs ƒ 4,95.

“Ik zou wel eens wat anders willen doen, maar ik besef de laatste jaren dat ik misschien wel altijd aan 'De Tandeloze Tijd' zal blijven vastzitten. De trouw aan het ene werk is bij mij groter dan de wil telkens iets anders te schrijven. Tot het einde van mijn dagen zal het met me meegroeien. Ik spoor steeds weer in die oude groef. 'De Tandeloze Tijd' is mijn voertuig geworden.”

A.F.Th. (Adrianus Franciscus Theodorus) van der Heijden is een man van één boek. Toen hij zestien was, wilde hij al één keer een boek schrijven waar 'alles in stond'. Het was, weet hij nu, een puberfantasie. Maar hij zat er niet ver naast. Hoewel hij nu 45 is, en nog heel wat schrijven kan, zal hij waarschijnlijk de geschiedenis ingaan als de auteur van 'De Tandeloze Tijd.' Niet het megalomane boek waaraan hij kort na zijn zestiende begon en dat nog steeds ergens op zijn zolder zwerft, maar een boek in eindeloos veel delen.

Sinds deze zomer de lang verwachte delen 3a en 3b van de cyclus verschenen, hebben de lezers daarin kunnen zien dat er inmiddels weer een volgend deel in voorbereiding is. In Da Vinci op de Veluwe wil Van der Heijden, zo zegt hij, onder meer zijn ervaringen verwerken die hij opdeed toen hij zich in een gehuurde woning op de Veluwe terugtrok om aan de nu verschenen delen te werken. “Het verhaal zou eindelijk af moeten zijn, dat weet ik ook wel,” zegt hij, als ik hem in zijn Amsterdamse woning naar zijn trouw aan dat ene boek vraag. “Maar ik ben daar huiverig voor. Het al verschenen vierde deel, Advocaat van de hanen heeft ook niet het karakter van een slot.”

Van der Heijden praat zoals hij schrijft. Antwoorden bestaan bij hem zelden uit een simpel ja of nee. Hij zet redeneringen op die worden geïllustreerd met enthousiaste verhalen vol fraaie metaforen. Zijn beschrijving van zijn eerste schrijfpogingen in het ouderlijk huis in Geldrop gaat vergezeld van een hilarisch portret van een oud, verwaarloosd vrouwtje met een hondenkennel. Bij haar kocht hij op een zomerse dag een rol krantenpapier waarop het boek uitgetypt zou moeten worden. “Ik wilde iets uit één stuk houwen. Door op één lange rol papier te schrijven hoopte ik een volstrekt samenhangende roman te kunnen maken.” Hij doet voor hoe hij de rol uiteindelijk op de stang van zijn fiets, 'tussen mijn dijen', naar zijn jongenskamer heeft moeten vervoeren.

Samenraapsel

De schrijver heeft moeten constateren dat 'De Tandeloze Tijd' steeds meer begint te lijken op dat ene boek waar hij als zestienjarige aan begon. Ook dat was opgezet als een 'monolitische roman zoals De Avonden of de boeken van Hermans', maar het liep net als 'De Tandeloze Tijd' uit op een 'samenraapsel van verhalen, historische flarden en andere elementen die niet goed met elkaar verbonden konden worden'. Pas later begreep hij dat de mooiste romans zo geschreven kunnen zijn.

Maar hoe lang kan een schrijver in deze snel veranderende tijd met één en hetzelfde boek bezig blijven? Wie de tot nu toe verschenen delen gelezen heeft, weet dat het 'boek' een steeds grilliger structuur begint te krijgen. Niet voor niets is er onlangs een boekje op de markt gekomen, Groepsportret, dat probeert lijn te brengen in de drieduizend tot nu toe verschenen bladzijden tekst. Querido-redacteur Antony Mertens en Van der Heijden-kenner Jan Brands hebben een 'wie is wie' in elkaar gezet, met alfabetisch de honderden namen van de personages en hun vindplaatsen in de tekst. Er zijn kaartjes van Geldrop, Nijmegen en Amsterdam opgenomen, waar een groot deel van het verhaal zich afspeelt. En er is een chronologisch overzicht van wat de hoofdpersoon Albert Egberts tussen zijn geboorte in 1950 en september 1986 (Advocaat van de hanen) allemaal meemaakt.

Wie het leest, beseft dat de vier delen nog altijd met elkaar te maken hebben. In grote lijnen volgt het boek het leven van Albert Egberts, zijn jeugd, zijn studietijd in Nijmegen, en vertelt het hoe hij ten slotte in het Amsterdamse krakersmilieu terechtkomt en daar verslaafd raakt aan de heroïne.

Het verhaal van Albert Egberts wordt soms ondergesneeuwd door visionaire beelden en herinneringen. Wat het overzicht voor de lezer meteen al bemoeilijkt is dat het verhaal niet, zoals bijvoorbeeld J.J. Voskuils mega-roman Het Bureau, een chronologische lijn volgt. In lange flashbacks en evocaties wordt het grootste deel vanuit de zomer van 1980 verteld. Van der Heijden: “Ik heb me bij het schrijven alle mogelijke vrijheden toegestaan, versnelling, vertraging, en verspringing in de tijd. Soms blijf ik tweehonderd bladzijden op dezelfde datum, dan maak ik weer ineens een enorme sprong.” Er wordt zowel van perspectief als van toon gewisseld. Er is een stuk in de eerste persoon geschreven, een stuk in de tweede en in de nu verschenen delen wordt nog verder met de vertellersinstantie geëxperimenteerd. “Juist omdat het om één boek gaat probeer ik in elk deel een andere toon aan te slaan. Dat is de hink-stap-sprong van het vertellen.”

Deze in de literatuur vrij gangbare hindernissen zijn nog niets vergeleken met de verschuivingen in de opzet en de strekking die de boeken laten zien, en de vele zijlijnen waarvan de bedoeling niet meteen duidelijk wordt. Wat in 1983, in De slag om de Blauwbrug, begon als een rechtlijning, avontuurlijk verslag van een junk die getuige is van de veldslag op Koninginnedag 1980, met een duidelijke fascinatie voor de romantiek van de heroïne, veranderde in de loop der jaren achtereeenvolgens in een beeldende evocatie van een jeugd in het landelijke Brabant, in een realistisch verslag van het leven in de provinciale studentenwereld, en in een spookachtig misdaadverhaal rond een alcoholische advocaat. Ondertussen werden er steeds meer personages en nevenintriges ingevlochten.

Clockwork Orange

Van der Heijden is de eerste om dit soort verschuivingen en woekeringen toe te geven. In de roman worden er ook al een aantal toespelingen op gemaakt. Zijn eerste idee was om het boek, 'een soort Clockwork Orange', te concentreren op een bende junks die met scharen auto's openbrak. Het boek zou aanvankelijk ook Scharen heten. Van dat idee is, afgezien van een kort hoofdstuk in deel 3, nog maar weinig over. De meeste gebeurtenissen in de nu verschenen boeken zijn nog altijd de gebeurtenissen die Van der Heijden zich in het vroegste stadium had voorgenomen op te schrijven. De 'sneeuwnacht in september' bijvoorbeeld, de wilde nacht waarin Albert Egberts na overvloedig cocaïnegebruik tot de heroïne wordt verleid, staat er nog in. Maar voor hij dit gegeven aan de lezer zou voorleggen, wilde de schrijver eerst nog uitleggen wie die Egberts eigenlijk was.

Dat bleek makkelijker gezegd dan gedaan. Het begon ermee dat hij 'ontdekte' dat de junk uit het verhaal heel goed zijn eigen achtergrond zou kunnen hebben. Hoewel hij er geen autobiografische roman van wilde maken, bleek zijn eigen geschiedenis perfect bij die van zijn personage te passen. Toen hij dat eenmaal zag, gingen de sluizen naar het verre en nabije verleden wijd open. Alsof al het autobiografische materiaal dat in zijn hoofd zat opgesloten erom smeekte verwerkt te worden. Tien jaar lang was de stroom van personages en locaties die in het boek verwerkt moesten worden niet meer te stuiten. “Wat van mezelf bruikbaar was heb ik heb aan Albert Egberts uitbesteed.”

Vooral in de nu verschenen delen zie je hoe Van der Heijden heeft zitten worstelen met de ordening en de interpretatie van al dit materiaal. Hoewel hij geen keurslijf voelde ('ik heb me de afgelopen twintig jaar nooit zo vrij gevoeld als tijdens het schrijven van deze laatste delen') moet het voor hem soms een bezoeking zijn geweest. Bijna alles om de centrale handelingen heen was al in eerdere delen aangestipt. Hij moest nu zien hoe hij dat 'op en neer schrijvend tussen deel 2 en 4' in elkaar kon vlechten. “Het werken aan één groot boek heeft zijn consequenties voor de vorm. Je moet steeds meer rekening houden met wat er al verteld is. Maar misschien zoek ik die restrictie wel.”

Tegen het eind van de nu verschenen delen komt een merkwaardige scène voor waarin de advocaat Ernst Quispel langdurig zijn vleselijke lusten op een jongen van zeventien botviert. De betekenis van deze scène voor de roman is eigenlijk alleen te begrijpen voor wie het vierde deel gelezen heeft. Volgens Van der Heijden moet hij het verloop van de roes van de kwartaaldrinker Quispel illustreren die in Advocaat van de hanen zo'n belangrijke rol zal gaan spelen. ('Quispel gaat geen zee te hoog!'). Het hoofdstuk dient om het derde en het vierde deel te verbinden.

Is Van der Heijden in de twintig jaar dat hij nu met het boek bezig is, niet erg veranderd? Als ik het hem met zoveel woorden vraag knikt hij aarzelend. Toen hij aan het project begon, was hij een aankomend schrijver die in een Amsterdams kraakpand naarstig op zoek was naar een eigen stijl. Hij werd gefascineerd door mensen aan de zelfkant. Zijn hoofdfiguur moest een 'working class hero' zijn die in de grote wereld niet serieus genomen werd. Later raakte hij steeds meer geïnteresseerd in het leven in de breedte, in het opheffen van het lineaire tijdsbegrip. En nu hij al lang niet meer in de Pijp woont, wordt hij, zoals hij zegt, vooral geboeid door het lijden van de mens, door het 'niet-christelijke martelaarschap'. Dat verklaart ook de nogal vreugdeloze erotische scènes in het boek. Volgens Van der Heijden wil Albert Egberts door zichzelf met seks te overvoeren tot een soort loutering komen.

Net geklede heer

Niet alleen zijn door deze ontstaanswijze de jaren vijftig en zestig door de in de jaren zeventig gesitueerde roman gesijpeld, ook de jaren tachtig en de eerste helft van de jaren negentig laten hun sporen na. Al schrijvende zag Van der Heijden zich, zoals hij zegt, gedwongen zijn oorspronkelijke opzet bij te sturen. Hij merkte hoe zijn fascinatie voor de romantiek van de junk verdween, met het gevolg dat rol van de heroïne moest worden teruggedrongen. Albert wordt een wat kleurloze, net geklede heer die niet uit de toon wil vallen. Het vitalistische (Van der Heijden: 'het verzet tegen de fundamentele roerloosheid van de mens, terwijl alles om hem heen schreeuwt om beweging') raakt op de achtergrond. De pusher ('in die tijd een soort vogelverschrikker aan de rand van het schoolplein') die de jonge Albert Egberts aan de heroïne heeft gebracht verandert in een mysterieuze Turk, die verder geen gezicht krijgt. En de rechts-radicale Arend-Jan Baartscheer die het op buitenlanders en joden heeft voorzien verwordt tot een schim die alleen nog maar opduikt om karikaturale rechtse praatjes te verkopen.

Van der Heijden: “Toen ik aan het boek begon was ik veel donquichotteriger dan nu. Ik zag in extreem rechts een fenomeen waar je tegen vechten moest. En dat wilde ik op mijn manier doen, door er een hyperbool van te maken.” De enige functie die Baartscheer nu nog heeft, is die van 'aangever'. Hij moet het Albert Egberts mogelijk maken een delict te plegen dat hem in staat stelt af te kicken in de cel. “Ik heb Baartscheer verkleind tot het formaat dat hij verdient.”

In een vrij laat stadium werd de geschiedenis van Hennie A. aan het verhaal toegevoegd, een Betuwse huisvrouw die in de jaren zeventig haar beide ouders om het leven zou hebben gebracht. Op koninginnedag 1980, wanneer het eerste boek van deel drie begint, wordt zij in verband met de kroningsfestiviteiten voortijdig vrijgelaten. In fragmenten lezen we vervolgens de treurige voorgeschiedenis van de vrouw.

Hoewel de schrijver heeft beloofd de historische moordzaak die voor deze stukken model heeft gestaan zo min mogelijk te noemen, wil hij niet ontkennen dat hij geïnspireerd is door de geruchtmakende zaak Annie E. Toen hij nog in Nijmegen studeerde, zo vertelt hij, werd hij, net als Albert Egberts, mateloos door dit in alle kranten wijd uitgemeten geval gefascineerd. “Ik was op een leeftijd dat ik me had losgemaakt van mijn ouders, maar ik voelde ze nog voortdurend om me heen gevouwen. Dan intrigeert zo'n zaak je.”

De geschiedenis moest volgens Van der Heijden in de roman worden opgenomen omdat hij aan Hennie A. de betekenis van het lijden en het martelaarschap die in de roman een rol spelen, kon illustreren. “Wat Egberts in haar aanspreekt is dat ze wellicht heeft gedaan waar anderen alleen maar over denken. Het is voor hem een zwart sprookje.” Hij woonde zelf indertijd de rechtszaak tegen Annie E bij. Hoewel hij toen al literaire ambities koesterde, gelooft hij niet er naartoe te zijn gegaan om materiaal te vergaren voor zijn romans. “Ik heb nooit in mijn leven bewust materiaal verzameld. Ik heb me hoogstens wel eens achteraf gedocumenteerd. Ook in dit geval. Op een dag kun je door iets worden aangevlogen, een gebeurtenis op straat of op de televisie. Als dat zich in je vastbijt, kun je dat accepteren. Dan kun je je gaan documenteren om het zo goed mogelijk onder woorden te brengen.”

De afloop van de zaak zoals die in het boek wordt beschreven is volledig verzonnen. Van der Heijden liet de vrouw uiteindelijk bij haar vrijlating de telaste gelegde moorden 'bekennen'. “Hennie A.,” zegt hij, “bekent de dubbele moord, ook al heeft ze die volgens het boek niet gepleegd, omdat ze wil boeten.

In haar zelfgekozen martelaarschap wil ze de moorden toegeven.'

Van der Heijden wilde met Hennie A. iemand laten zien die, net als Albert Egberts, op een aburde manier voor haar lot koos. “Waar ik al schrijvend op stuitte was het idee dat ieder mens erkend wil worden als de martelaar die hij is. Iedereen, of hij nu een makkelijk leven leidt of door het lot gegeseld wordt, beseft op een moment dat hij in een benauwde ruimte is terecht gekomen. We zitten allemaal in een zuurstoftent en iedereen krijgt dat stemmetje dat zegt: 'zie mij, ik heb het ook moeilijk!' ”

Martelaarschap

Van der Heijden ontdekte bij het werken aan 'De Tandeloze Tijd' dat er mensen zijn die door het lot tot martelaar gemaakt worden, maar nog meer mensen die het martelaarschap zelf op zich nemen, 'misschien om het lot voor te zijn'. Daarom experimenteert Albert Egberts volgens hem ook met heroïne. “Dat is net zo goed een vorm van jezelf vergooien, van martelaarschap.”

Als Albert tegen het eind van het boek een visioen krijgt waarin een kind dat hij begeleidt is zoekgeraakt, komt dat volgens Van der Heijden uit eenzelfde verlangen naar lijden voort. “Het is een vorm van compassie, van mee-lijden met anderen op de wereld. Als wij meedoen aan wat de wereld te bieden heeft, doen we ook mee aan de ongelukken die de wereld overkomen. Dat maakt ons tot handlangers van de slachtoffers. Elke dag gaan alle kogels door ons heen. Elke dag worden we verpletterd door de steen die van de berg afrolt.”

Kijkt de schrijver in deze fase van zijn leven niet met lichte gêne of vertedering terug op de romantische ideeën waarmee hij zijn boek heeft opgezet? Voelt hij geen behoefte om de eerder verschenen delen nog eens een keer 'door de machine' te halen? Van der Heijden wil het niet volledig uitsluiten. “Volgens een visioen dat ik heb gehad zou het verhaal in een nieuwe versie meer in elkaar moeten grijpen. Tot het één verhaal wordt, hechter en gecompliceerder. Binnen een hechtere structuur kun je een persoon immers veel meer laten vertellen, meer anekdotes, en hij kan ook uitgebreider filosoferen. Ik zou het misschien wel meer in elkaar moeten schuiven.”

Hij is er zich van bewust dat hij de oorspronkelijke drive van het boek niet verloren mag laten gaan. “Toen ik in 1985 naar Vallende Ouders (1983) terugkeek, wist ik precies hoe ik het zou gaan herschrijven. Ik dacht aan een andere toon. Nu besef ik dat het boek het juist van die toon moet hebben. Die kun je makkelijk vernietigen, zonder er een nieuwe authentieke toon voor in de plaats te brengen.”

Van der Heijden denkt erover binnenkort zijn eigenlijke debuut te publiceren, dat hij meer dan vijfentwintig jaar geleden schreef. Hij vindt het inmiddels een 'tamelijk mal' verhaal, hoewel hij het nooit helemaal heeft durven teruglezen. Waar hij er in 'De Tandeloze Tijd' naar verwijst, heeft hij dat uit zijn hoofd gedaan. “Het gaat over een Nietzsche-achtige figuur,” herinnert hij zich, “die in een driedelige Ethica bewijst dat de mens zal ophouden als soort te bestaan. Zo dacht ik er toen over.

“Twee dingen komen naarmate je ouder wordt, nooit meer terug. Je wordt belezener en erudieter, waardoor je met steeds meer rekening gaat houden. Je wordt minder onbevangen bij het schrijven. Een andere ontmaagding is dat je door te debuteren de goddelijke staat van vrijheid kwijtraakt. Sommige schrijvers zijn het ene na het andere boek op zoek naar die staat van voor het in druk verschenen zijn - waar ze juist door te schrijven steeds verder van verwijderd raken.”