Hoop voor het boek

Le livre, quel avenir? La Quinzaine littéraire, augustus 1996, nr 698, ƒ 11,50

'Wat is de toekomst van het boek?' vraagt de redactie van het tweewekelijkse Franse boekenblad La Quinzaine littéraire zich in een speciaal zomernummer af. Electronische media, internet en 'ontlezing' lijken ook in Frankrijk serieuze bedreigingen te gaan vormen voor het bedrukt en ingebonden papier. Dat is, schrijft hoofdredacteur Maurice Nadeau in zijn voorwoord, geen nieuw bericht. La Quinzaine was in 1966 nog maar net drie maanden opgericht, of Nadeau stuitte in New York op het werk van Marshall McLuhan, dat het einde van Gutenbergs erfenis aankondigde.

Maar de dertig tussenliggende jaren hebben het boek niet de das omgedaan en dat geeft hoop. De toon van dit aantrekkelijke nummer is dan ook welgemoed. Het boek heeft al vele stormen, op- en neergangen en apocalyptische profetieën doorstaan en zal ook de electronische vloedgolf van vandaag en morgen wel overleven, menen de meeste auteurs.

Ook de filosoof Jacques Derrida, die eveneens dertig jaar geleden het einde van het boek aankondigde, verklaart in een interview daarmee allerminst een triomf te hebben willen uitschreeuwen. Het boek blijft volgens hem nodig, juist in de tijd van bandeloze communicatie waarvan internet het chaotische voorbeeld is. In De la grammatologie (1967) beschreef hij al de voornaamste trekken van wat nu 'hypertekst' heet maar wat hij zelf 'aarts-schriftuur' noemde: teksten en tekens die met elkaar interfereren en daardoor zelf nieuwe teksten en betekenissen voortbrengen.

Dat maakte een einde aan elke waarheid, schreef hij toen, want alles kon alles gaan betekenen. Maar zonder waarheid kunnen we niet leven, benadrukte hij aan de andere kant. Dus moet dat proces af en toe worden stilgezet om de balans op te maken. Noem dat maar een 'boek', zo suggereert hij nu, want het boek is altijd al het symbool en de belichaming van de waarheid geweest.

Andere auteurs hebben minder filosofische redenen voor hun aanhankelijkheid aan het boek en hun overtuiging dat dat het nog wel een tijdje zal uithouden. Omdat een boek nog altijd de gemakkelijkst leesbare, vervoerbare èn goedkoopste 'informatiedrager' is, schrijft de een. Omdat men wèl met de fysieke aanwezigheid van een eigen bibliotheek maar niet met de virtuele realiteit van een databestand een liefdevolle relatie kan opbouwen, schrijft de ander. Of omdat lezen iets anders is dan het opzoeken en vergaren van informatie. En omdat een boek geen gebruiksvoorwerp is, maar een Meneer of Mevrouw met wiens, soms irritante, eigenaardigheden men in hoffelijke omgang moet leren leven.

Dat klinkt misschien belegen, maar de omgang met een boek heeft dan ook iets conservatiefs. Het vraagt van de lezer oude deugden, zoals geduld (om het einde af te wachten), trouw (om niet halverwege op te houden en om later nog eens te herlezen), rust, concentratie en een zekere voornaamheid. Het lezen van boeken zal in de toekomst geen massale vormen aannemen, maar - zo vraagt de uitgever Christian Bourgois zich in een tegelijk nuchter en geestdriftig interview af - is dat ooit wel anders geweest? André Gide's Nouvelle Revue Française was voor de Eerste Wereldoorlog hèt gevestigde literaire tijdschrift in Frankrijk, maar hoeveel abonnees had het? Zeshonderd, tekende Gide in 1911 in zijn dagboek op.

Uitgeven, bezweert Bourgois, is werken voor een kleine groep waarvan men niet moet verwachten dat ze ooit veel groter zal worden. Een paar duizend exemplaren is de normale oplage van een boek, waar ook ter wereld. Voor die paar duizend lezers werkt een uitgever en dan nog laten die soms jaren op zich wachten. Voor de sector van de bestsellers, zo verwacht Bourgois, zal de klap waarschijnlijk veel harder aankomen dan voor wat hij de ware uitgevers noemt. Het zijn dan ook deze mega-ondernemingen die zich nu het sterkst op de nieuwe electronische media oriënteren, omdat daar hun (onzekere) toekomst ligt.

Schadelijk is deze 'oneigenlijke' boekenmarkt voornamelijk om twee redenen: omdat ze geleidelijk aan het netwerk van kleine boekhandels elimineert, en omdat ze - zegt Bourgois - het boekenlezen voorstelt als iets wat het niet is. Voor dit circuit is een boek een gebruiksvoorwerp met een korte levensduur, dat wordt 'verslonden' en verdwijnt. Daardoor onstaat een vraatzuchtige leeshouding die de geduldige omgang met het boek niet meer kent. Ook het onderwijs is daar volgens La Quinzaine schuldig aan. In de copieer-cultuur worden boeken niet langer gelezen, maar geplunderd op hun hoogtepunten of meest cruciale gedeelten. Niet alleen het boek maar ook het lezen zelf wordt aan de psychologie van de copiëermachine opgeofferd. Wie zijn verplichte boeken door de machine heeft gehaald, krijgt onwillekeurig het idee ze zich alleen al daarmee eigen te hebben gemaakt. Het feitelijke lezen kan dan achterwege blijven.

In deze vervreemde leescultuur ziet La Quinzaine een grotere bedreiging van het boek dan de opkomst van internet en cd-roms. Men kan zich in het verlengde daarvan afvragen of het lezen de laatste decennia juist niet te gemakkelijk is gemaakt. Alle boeken die men maar wenst zijn moeiteloos voorhanden, voor uiterst schappelijke prijzen of in bibliotheken zelfs gratis. Wie als kind of oudere begint met lezen, kan rekenen op lof, steun en soms geldelijke beloning. Wie zou, met zoveel opdringerige faciliteiten, nog op de gedachte komen dat lezen een genot en een privilege is op zichzelf?

Volgens de Franse auteur Blanchot is niets zo schadelijk voor het lezen geweest als de uitvinding van het pocket-boek. Hij overdreef. Maar het komt het lezen misschien helemaal niet ten goede wanneer het wordt voorgesteld als iets gewoons en alledaags. Wat moeiteloos beschikbaar is, valt al snel ten offer aan slordig gebruik. Dat maakt het niet zinloos kinderen op te voeden in lezen en te laten kennismaken met bibliotheken. Maar laat het daar ook maar bij blijven. Wie niet wil lezen, mist veel, maar dat is dan zijn eigen keuze, zoals dat ook geldt voor klassieke muziek of de betere Franse keuken. Wie echt wil lezen doet dat toch wel: de vijfduizend lezers voorwie Bourgois uitgeeft, of de zeshonderd abonnees van Gide's NRF.