Het dorp van de nomenklatoera

Reinout van der Heijden, De vloek van Oesovo. Een dorpsgeschiedenis van Rusland. Uitg. Contact, 367 blz, ƒ 39,90.

Oesovo is een dorp als alle dorpen: een handvol huizen, een paar straten en een stampvol kerkhof. Het ligt ruim vijftien kilometer van Moskou, de meeste bouwsels zijn er van hout, de smalle paadjes en moestuinen zijn afgezet met houten hekken en iedere meter grond is er benut voor het kweken van groenten en aardappelen. Daaromheen ligt een bos van dennen en gemengd berken- en eikenloof.

Zonder dit dorp te kennen, somde de Amerikaanse antropoloog Robert Redfield ooit de kenmerken van 'een goed leven' en 'een goed mens' in de boerencultuur. “Een grote gehechtheid aan de geboortegrond; een respectvolle houding voor oude gewoonten; een beperking van individuele strevingen ten gunste van familie en gemeenschap; een zeker wantrouwen ten opzichte van het stedelijke leven, vermengd met waardering; een sobere en aardse ethiek.” Hij verklaarde dat waardensysteem vanuit een voortdurende omgang met de natuur. “Boeren vinden in het leven een doel omdat hun opeenstapeling van ervaringen met de natuur - inclusief het lijden, de vreugde, de dood - daaraan een betekenis geeft. En die vindt een boer iedere dag terug in zijn werk en in de rest van zijn leven. Er vindt in zo'n bestaan een soort leerproces plaats: waarom komen kinderen ter wereld, waarom groeien ze op, trouwen ze, werken ze, lijden ze en sterven ze. Er is een verzekering dat arbeid niet vergeefs is; dat de natuur, of God, er deel in heeft.” Volgens Redfield gingen die kenmerken op voor alle dorpsculturen die hij bestudeerd had, of ze nu in Zuid-Amerika of in Surrey lagen.

Of in Rusland. Want het was dit universele stelsel van onuitgesproken geboden dat ook het oude Oesovo beheerste. Het was een orde die vaak vervat was in regels van de kerk, maar die in wezen gebaseerd was op de normen van de boerentraditie. Het was een orde waarbinnen de tijd geen almaar voortgaande lijn was, maar een cyclus als de natuur zelf. Het was een orde waarbinnen het leven niet een doel was, zoals in de stad, maar een tussenspel, met idealen in het verleden en met verplichtingen in de toekomst. En bovenal was het een orde die onkreukbaar was. Alleen op die manier kon men de chaos van natuur en heersers te lijf. Alleen zo kon men rampen, ziektes, misoogsten en ander onheil bezweren - afgezien van de eeuwige dood, het noodlot van ieder mens.

Maar een groot van het Oesovo is afgegrensd door raadselachtige groene schuttingen. En de speciale spoorlijn die naar het dorp loopt, en de voor Russische begrippen buitengewoon goed onderhouden autoweg, is mogelijk nog opvallender. In sommige opzichten is Oesovo namelijk geen gewoon dorp. Jarenlang was het de tweede hoofdstad van de verborgen Sovjet-Unie, de wereld van de nomenklatoera. Achter de schuttingen lagen de buitenhuizen van de partij-elite en de paleizen van de sovjet-top. Lenin had er zijn oog op laten vallen, Stalin bracht er vele zomers door, en al zijn opvolgers, van Chroesjtsjov tot en met Jeltsin, maakten gebruik van een van de residenties van Oesovo. Belangrijke wendingen in de geschiedenis, zoals de rampzalige landbouwplannen van Chroesjtsjov, de Cubacrisis en het uiteenvallen van de Sovjet-Unie, werden in Oesovo bepaald. Elke Russische leider, vanaf tsaar Alexander II, had wel iets met dit dorp.

“Nice little digs you have!” riep de Amerikaanse president Clinton toen hij er het buiten van Jeltsin bezocht, een geelstenen paleis van een voormalige grootvorst uit de tsarentijd. Hij at er speenvarken, kaviaar en elandlippen, en aan beide zijden van het groene hek werd het een gedenkwaardige avond. In het paleis hield Clinton met de aanwezige muzikanten een geïmproviseerde jamsession en in het huis van tante Masja, aan de andere kant van het hek, zat de bewoonster ondertussen in haar mooiste jurk voor het eerst naar haar nieuwe kleurentelevisie te kijken. Het apparaat had een beeldscherm van 36 centimeter en het kostte evenveel als zij in een half jaar aan pensioen kreeg. Het toestel had ze voor de helft kunnen betalen van het smartegeld dat ze in 1993 gekregen had omdat haar vader in 1941 ten onrechte als 'staatsvijand' ter dood was gebracht. Vader, de voormalige jager van het dorp, was in een verlaten metrostation van een roltrap de diepte ingegooid. Maar nu ergerde tante Masja zich kapot aan de halfaangeklede meisjes op de buis, “die niet eens de tijd nemen hun haren te kammen.” Zo gaan de dingen in het Oesovo met de twee gezichten.

“De gemiddelde Rus is een boer in een krappe flat.” Na zo'n eerste zin kan een boek moeilijk meer kapot, en dat geldt zeker voor de kleurrijke dorpsgeschiedenis die Reinout van der Heijden schreef onder de titel De vloek van Oesovo. Van der Heijden, correspondent van Het Financieele Dagblad in Moskou, bezocht Oesovo tussen 1991 en 1996 minstens eens per maand, tekende alles op wat hem maar ter ore kwam, deed uitvoerig archiefonderzoek en haalde op die manier vijf en een halve eeuw - gedeeltelijk mondeling overgeleverde - dorpsgeschiedenis boven water.

De periode waarin hij dit omvangrijke onderzoek verrichtte was uniek. Voor bijna iedereen was hij de eerste buitenlander met wie men over leven en dorp sprak. “Enkele jaren eerder was ik in Oesovo op een muur van stilzwijgen gestuit,” schrijft hij in zijn verantwoording. “Later had ook niet gekund. Veel bewoners die onmisbare bijdragen leverden zijn inmiddels van ouderdom overleden.”

Ook met de archieven had Reinout van der Heijden geluk. Tot 1992 lag veel documentatie nog als staatsgeheim in de kluizen. Daarna kon hij bijvoorbeeld nagaan wie van de dorpsbewoners indertijd de vader van tante Masja had verklikt bij de geheime dienst. Het bleek een collega te zijn geweest. Masja's vader was ooit met Lenin op houtsnippenjacht geweest, had een geweer van hem gekregen, en genoot sindsdien een speciale status in het dorp. Het motief was dus simpel: jaloezie.

Hoewel de dorpsbewoners indirect de gevolgen voelden van wat er achter de groene schuttingen werd gedacht en besloten, bleven de directe contacten tussen dorp en nomenklatoera uiterst beperkt. De tsaren bezochten wel eens een boerenhut en subsidieerden de dorpskerk.

Na de revolutie zetten de nieuwe leiders deze levenswijze min of meer voort door de paleizen de status te geven van 'proletarische sanatoria', waar de voorhoede van de revolutie van een 'rustkuur' kon genieten en vrijwel gratis kon winkelen. Nieuwsgierigen werden geweerd door het terrein tot 'besmet gebied' te verklaren. Chroesjtsjov maakte graag een praatje met de ouderen die rond de put zaten, Stalins zoon Vasili versierde de meisjes met zijn open Mercedes, Sergej Chroesjtsjov stal met de dorpsjongens appels uit de paleistuin, uit het dorp werden de nodige tuinknechts en dienstmeisjes gerecruteerd, maar voor het overige waren de werelden strikt gescheiden.

Dat ijzeren gordijn loopt ook door het boek van Reinout van der Heijden. De historie van de heersers over het dorp en, vanaf de negentiende eeuw, de opeenvolgende eigenaren van de paleizen, laat zich lezen als een geschiedenis van Rusland.

Parallel daaraan loopt echter de geschiedenis van het dorp zelf en van de boeren, en die is minstens zo interessant. Terwijl aan de ene kant van de schutting zowel bij de tsaren als de latere nomenklatoera de hof- en stadscultuur de toon zette, domineerde in het dorp zelf nog lange tijd de klassieke overlevingscultuur van de boeren.

Het dorp Oesovo was bijvoorbeeld aan het begin van deze eeuw nog een mir, een besloten wereld zonder privé-bezit. De familie stond centraal en werd bestuurd door de bolsjak, de grootvader die met ijzerend hand regeerde. Samen vormden de bolsjaks de dorpsraad, die besluiten nam over het verdelen van de gemeenschappelijke grond of het corrigeren van immoreel gedrag.

Het hele leefsysteem van het dorp was ingesteld op overleving. Wat de produktie betreft stond de familie centraal, maar als er iets misging - gemiddeld werd een dorp eens in de drie jaar getroffen door een misoogst - fungeerde de gemeenschap als een soort verzekering. Overal liepen bedelaars, maar ze konden altijd rekenen op steun en zo bleef iedereen weliswaar arm, maar ook in leven. “Bedelen was geen schande,” schrijft Reinout van der Heijden, “maar een onderdeel van de strategie tot overleven. Een boer wees vooral uit eigenbelang niemand de deur. Wie niet hielp werd ook niet geholpen als een ramp hemzelf trof.”

Ook in andere opzichten was Oesovo een echt dorp van overlevers. Bijvoorbeeld wat betreft de schuwe omgang met geld. Voor een klassieke boer dient geld in de eerste plaats als reserve voor slechte tijden, niet als middel om consumptiegoederen te kopen. Of in de volledige onderwerping aan de natuurelementen, die de mensen vaak iets fatalistisch gaf, maar die tegelijk de boeren rust en kracht gaf om de altijd weerkerende teleurstellingen van misoogsten, branden, ziektes en extra belastingheffingen te verwerken.

Toen Van der Heijden aan zijn onderzoek begon, in 1991, was er van deze oude orde in Oesovo weinig meer over. Maar degenen die daarbinnen geleefd hadden, konden nog spreken. Uiterlijk leek het dorp zich die laatste jaren te ontwikkelen van een afgesloten boerengemeenschap tot een villawijk van Moskou.

De bolsjaks hadden al in de jaren dertig hun gezag verloren, omdat de meeste mannen niet meer in de landbouw werkten maar op de fabriek. Daarmee veranderde ook de gemeenschapszin binnen het dorp, en de publieke moraal. Zeker de helft van de verhalen en anekdotes uit die latere periode kan dan ook herleid worden tot de allesbepalende strijd tussen de overlevingscultuur van het dorp en het vooruitgangsdenken van partijmensen en de nieuwe kapitalisten.

Toch bestonden in 1991 nog wel resten van het vroegere dorpsleven. Elke bewoner bewerkte zijn eigen lapje grond, vulde elk jaar tientallen weckflessen met fruit, tomaten en augurken, sloeg aardappelen en kool op en maakte eigen wijnen en likeuren. Oesovo had aan het eind van de sovjet-periode nog altijd de gewoonte om zoveel mogelijk te overleven op eigen voorraden.

Maar daarna tuimelden, net als in de rest van Rusland, de ontwikkelingen in ijltempo over elkaar heen. De nieuwe rijken overspoelden het dorp met hun stenen datsja's en hun handeltjes, de grond werd steeds kostbaarder, de bejaarden stierven en hun kinderen maakten moedertje aarde te gelde. Het dorpshuis werd geprivatiseerd en verbouwd tot nachtclub. De kleurentelevisie van tante Masja marcheerde het dorp binnen. Nog geen vijf jaar later was de oude orde definitief voorbij.

    • Geert Mak