Hengelhangertje

Hafid heeft het bedacht, Karin doet altijd mee. Met hengelhangertje. Ze wonen bij me in de straat, ieder in een ander huis maar allebei op driehoog. Ze werden vrienden door te schelden. “Teringlijer!”, riep Karin zomaar vanaf haar balkonnetje aan de straatkant naar Hafid.

“Troet!”, riep Hafid vanaf zijn balkonnetje terug. Hij bedoelde 'trut', maar hij praat met een accent. Daar moest Karin om grinniken en toen gingen ze een scheld-wedstrijd doen.

“Mafkees!”

“Soekkel!”

En Karin vroeg of Hafid kwam spelen.

Niet lang daarna wandelde ik in mijn straat. Ineens hing er een portemonnee. Dik en zwart, zomaar voor mijn neus. Toen ik ernaar wilde grijpen, vloog hij naar het balkon op driehoog. Daar stonden Hafid en Karin te grijnzen. Samen hielden ze een stok vast. Aan een lang draadje bungelde de portemonnee.

“Ik heb een hengel gemaakt!”, riep Hafid.

“We hangen er dingen aan!”, schreeuwde Karin.

“Hengelhangertje”, zei ik.

Toen kwam Karins moeder op het balkon een klap uitdelen. De portemonnee was van haar.

Sindsdien zweeft er van alles door de straat:

Een krant.

Een tandenborstel.

Een nep-drol

Een halve makreel.

Een bos sleutels.

Het hoofddoekje van Hafids zus (toen kreeg Hafid een klap).

Een banaan.

Een barbie.

En één keer een brief.

“Openmaken!”, gilden Karin en Hafid.

In de brief stond:

Beste gelukigen sta morgen weer hier. Zelfde tijd verassing.

De volgende dag zweefde er een plak ontbijtkoek in de straat. Karin was jarig, en ik mocht koekhappen. Met mijn ogen dicht, dat moest.