Haar neus is een geniaal balkonnetje; De toneelstukken van architect H.P. Berlage

Architect H.P. Berlage schreef in zijn vrije tijd vijf toneelstukken. Die gaan voornamelijk over architectuur, zelfs de twee blijspelen. “Kijk eens, als een architect verliefd is, dan bewondert hij in zijn meisje vooreerst een schoon geheel van zuivere lijnen die 't oog aangenaam aandoen en strelen; hij roemt haar schoon gewelfd voorhoofd: is 't niet alsof hij aan een koepel denkt?”

NEEF ERNST. Blijspel in 3 bedrijven. Personen: Mijnheer v.d. Wilde. Louise en Marie, zijn dochters. Ernst, hun neef. 1e Bedrijf. (Het toneel stelt een eenvoudige kamer voor. Het ontbijt staat klaar)

1e Toneel

(Louise en Marie)

Marie: Papa zal wel gauw beneden komen. Heb je al thee gezet, Lous?

Louise: Ik dacht dat je nu wel wist, dat dat altijd mijn eerste werk is, als ik beneden kom; en het ontbijt komt altijd op mij neer, want zusje Marie is nog niet datgene, wat men matineus noemt.

Marie: N'en parlons pas. Het is geen doodzonde als men wat later uit de veren is. De een heeft meer slaap nodig dan de ander, en ik behoor nu ongelukkigerwijze tot de eerste soort. Op reis alleen was ik altijd het eerst te spreken. Toen we te Köningswinter waren hadden Ernst en ik er al een wandeling op, voordat Louisjelief er aan dacht op te staan.

Louise: Nu ja, maar vraag dan ook alsjeblieft niet, hoe je de verdere dag was. Slaperig, te moe om iets te doen, lui, enfin, alles wat men zich maar van vervelend kan voorstellen. Ik bewaar liefst nog wat voor de verdere dag. En ten tweede was er misschien nog wel een andere reden voor.

Marie (blozende): Je moet niet denken, dat ik niet heel goed weet, wat je met die reden bedoelt.

Louise: Dat wil ik waarlijk wel geloven. Wie de schoen past, trekke hem aan.

Marie: Nu, ik kom er dan ook maar rond voor uit. Ik hield er heel veel van om 's morgens vroeg wandelingen met Ernst te maken. Zijn gezelschap was mij altijd heel aangenaam. Hij interesseerde zich voor alles, en vooral voor de poëtische Rijn met zijn sagen en legenden. De Drachenfels is 's morgens nog wel ééns zo mooi als overdag, en wij hebben heel wat meer van het Zevengebergte gezien dan Papa of jij. Ik geloof eigenlijk dat jij erg jaloers op mij was.

Louise (blozende): Och nee, want wat jij 's morgens deed, dat deed ik 's avonds, als jij Papa gezelschap bleef houden. Toen hebben wij ook wat afgewandeld en daar kom ik ook rond voor uit, dat vond ik ook heel prettig. En dan....maar ik hoor Papa komen, ik heb net een lekker sterk kopje thee voor hem klaar. Einde 1e Toneel.

Alleen de oud-Hollandse spelling is in bovenstaand fragment van het blijspel Neef Ernst, geschreven door de architect H.P. Berlage, ongedaan gemaakt. Om het verdere verloop van het toneelstukje te voorspellen is niet veel fantasie nodig, zeker niet als we even The Importance of Being Earnest in gedachten nemen. In het tiende en laatste toneel komt neef Ernst eindelijk op bezoek om bekend te maken met welk nichtje hij zich zal engageren. Dat blijkt noch Louise, noch Marie te zijn. 'Emma van Heuvel zal zijn vrouw worden', onthult Papa, die zogenaamd niet in de gaten heeft dat zijn beide dochters smoorverliefd zijn op neef Ernst. Na elkaar vallen Louise en Marie flauw. Als de nichtjes weer met de inhoud van 'een flesje' zijn bijgebracht, neemt neef Ernst hun hartelijke gelukwensen in ontvangst, terwijl de meisjes in terzijdes van hun voortdurende liefde voor hem blijven getuigen.

Van de vijf toneelstukken die Berlage heeft geschreven is Neef Ernst het toppunt van lichtvoetigheid en bovendien het enige stuk waarin geen enkele relatie met de bouwkunst te ontdekken valt.

Reuzenkinderen

Over het gevoel voor humor van H.P. Berlage is niet veel bekend. Het is zelfs de vraag of hij weleens lachte. Hij is vaak gefotografeerd, maar er zijn maar één of twee foto's van hem waarop hij min of meer lachend staat afgebeeld. Er zou een opname van hem bestaan die is gemaakt op de eerste Nederlandse dada-avond in de Haagse Kunstkring op 10 januari 1923. Het onwaarschijnlijke verhaal doet de ronde, dat hij zich tijdens deze avond op zijn knieën heeft geslagen van het lachen, maar die foto heeft niemand ooit gezien. De avond was een onderdeel van de voorjaarsveldtocht van dada met Theo en Nelly van Doesburg, Kurt Schwitters en Vilmos Huszár als uitvoerenden. Nelly van Doesburg heette van geboorte Petronella van Moorsel (1899) en haar vader was ook een van de bezoekers in het zaaltje van de Haagse Kunstkring waar de voorstelling plaatsvond. In zijn boek Holland Dada beschrijft K. Schippers hoe vader Van Moorsel zich dood geneerde voor het optreden van zijn dochter en dat Berlage, een buurman van de Van Moorsels, tegen de woedende vader opmerkte: 'Wat u voor reuzekinderen hebt...'

Dat was de humor van de vrijwel altijd zwijgende Berlage, terloops, droog en op een onverwachte manier slagvaardig. Of misschien heet dat geen humor, maar ironie. Een andere scène speelt zich af in Amsterdam rond 1900 en is afkomstig uit de, wat anekdotes betreft, onuitputtelijke levensherinneringen van H.P.L. Wiessing Bewogen Beweging. De journalist-schrijver en hoofdredacteur van De Nieuwe Groene gaat op bezoek bij Leo Simons, de liberale, duizendpotige oprichter van de Wereldbibliotheek, toneelfanaat en wonende in een speciaal voor hem door Berlage ontworpen huis aan de Amsterdamse Van Eeghenstraat. Het huis heette 'Parckwijk' maar werd het 'huis met het handvat' genoemd omdat aan de voorzijde de keukenschoorsteen als een wijde, gemetselde boog naar de hoofdschoorsteen op het dak reikte. Wiessing wordt door Simons de woonkamer binnengeleid en beschrijft nauwkeurig wat er daarna gebeurt: 'Daar zat een statige mevrouw Simons aan een, voor die tijd ongewoon lage en ook overigens ongewone tafel, bij kopjes thee met een leraar-of-zo te praten, een eer zwaarmoedig dan opgewekt man, een veertiger, met een baard, en dat bleek nu die wilde architect Berlage te zijn, die dit huis met het handvat had bedacht en al deze naakte binnenwanden.

'Zodra het gesprek het toeliet keek ik die eenvoudige heer met de bruine baard geïnteresseerd aan. Het eerste, dat mij opviel, was zijn - tot dan toe bij de burgerij nog onvertoonde - ongesteven hemd met boord aaneen, zoals alleen arbeiders die toen, maar dan van goedkoop katoen droegen; het zijne was van een smaakvolle, blauwe stof. Ik zag dat hij, zeker bij wijze van tegenbeleefdheid, naar mijn boord keek, die - juist zéér in de mode! - hagelwit 'n acht centimeter hoog mijn hals beknelde. 'Zit dat makkelijk, mijnheer?' vroeg Berlage tussen het gesprek door.'

Vooral door zijn levenslange vriendschap met Leo Simons werd Berlage's belangstelling voor theater gevoed. De veelzijdige Simons wilde de massa met kunst en cultuur verheffen, en daarvoor gebruikte hij onder meer de met nationale waarden beladen spelen van Vondel. Hij schreef een studie over Vondels dramatiek, regisseerde Vondelvoorstellingen bij het amateurtoneel en hield Vondelleesmiddagen bij hem thuis in huize Parckwijck. In 1890 vroeg de 28-jarige Simons aan de toen 34-jarige architect Berlage om voor een locatie in Amsterdam een kleine schouwburg te ontwerpen. Maar het plan viel in het water, zoals vrijwel alle plannen voor theatergebouwen in Amsterdam in het water vielen, en nog steeds vallen.

Rozenkransen

In hetzelfde jaar kreeg Berlage van Simons het verzoek om decors te maken voor de Gijsbreght van Amstel. De achtergronden waren niet direct bestemd voor uitvoering ten behoeve van een voorstelling, maar voor een zogenaamde 'prachteditie' die werd uitgegeven ter gelegenheid van de opening van de nieuwe stadsschouwburg in 1894. Simons had de definitieve uitgave van de Gijsbreght voor ogen met de tekst in nieuwe spelling, een historisch overzicht, een beschrijving van de mise-en-scène, afbeeldingen van de oude toneelinrichting en muziek van de componist Bernard Zweers. Berlage ontwierp voor dit legendarisch boekwerk in tien afleveringen - tussen 1894 en 1901 uitgegeven door de Erven F. Bohn in Haarlem - zes decors in kleur en een plattegrond, gebaseerd op de kaart van Cornelis Anthonisz uit 1544. De eerste architect in Nederland die zich aan toneeldecors waagde, had een nogal traditionele uitvoering voor ogen. Hij dacht aan geschilderde doeken met historische bouwwerken in een met symboliek gevulde omlijsting: de neogotische Haarlemmerpoort temidden van wapentuig, het ingangsportaal van de Nieuwe Kerk in Amsterdam, de in rozenkransen gevatte poort van het Klarissenklooster, een zaalinterieur in het slot van Van Amstel met een rand van gestyleerde engelen en zonnebloemen. Leo Simons noemde de Gijsbreght-uitgave waarvoor Antoon Derkinderen de illustraties verzorgde, geheel in de geest van de tijd een 'Gesammtkunstwerk', maar ook een 'architectonisch-symbolisch-decoratieve toneeluitvoering'.

Net als zijn theaterontwerpen zijn de decors van Berlage nooit verder gekomen dan ontwerptekeningen, maar het beeld van Gijsbreght van Amstel figureert prominent in het palazzo publico, waarmee Berlage in 1903 de weg bereidde voor de moderne architectuur in Nederland, zijn Koopmansbeurs. Vervaardigd door de beeldhouwer Lambertus Zijl staat Gijsbreght, strijdbaar met schild en zwaard, op de zuidhoek van de toren.

Door Simons is Berlage altijd in de buurt van het theater gebleven. Oprechte bescheidenheid en vermoedelijk ook zijn zachte stem weerhielden de bouwmeester, schrijver, tekenaar en amateurfilosoof ervan om zelf te willen spelen. Maar zoals hij zo nu en dan aan zijn eeuwige ernst ontsnapte met het componeren van een lichtvoetig vers, zo liet hij zich ook tot de toneelschrijfkunst verleiden. Twee korte blijspelen schreef hij, De architect en famille en Neef Ernst en drie meer ernstige stukken: Het Nieuwe Leven (toneelspel in drie bedrijven met voorspel), De Tempel, opgedeeld in drie zangen, en het omvangrijke toneelspel in vier taferelen Een Tempelbouw. Geen van deze stukken is ooit opgevoerd, met uitzondering De architect en famille, dat een aantal jaren geleden tijdens de architectuurbiennale van Venetië in het Italiaans zijn première beleefde.

Machtig bouwwerk

Behalve Neef Ernst, dat een aandoenlijke proeve is van een dramatische opbouw, kennen de overige spelen tal van allegorieën en symbolistische scènes. In Een Tempelbouw, dat in een bewerking van Carel Alphenaar op 5 september in De Balie door een aantal architecten zal worden gelezen, speelt de schepping van een groots en machtig bouwwerk de hoofdrol. Het ligt voor de hand om het 'Pantheon der Mensheid' van Berlage als model voor de tempelbouw te zien. Met dit utopische ontwerp wilde Berlage zijn door de Eerste Wereldoorlog geschonden geloof in een nieuwe gemeenschap herstellen.

Het getuigt van zijn vaardigheid als toneelschrijver dat hij in Een Tempelbouw feestelijke taferelen rond de opdracht, een spannende scène tijdens de bouw en een intellectuele, allegorische optocht bij de inwijding met elkaar weet te verenigen. Met behulp van De Tijd, De Mens, De Egyptenaar, De Middeleeuwen en De Renaissancist weet Berlage een poëtisch samengepakte architectuurgeschiedenis op het toneel te zetten.

De stemming in het blijspel in één bedrijf De architect en famille is huiselijk, zoals de titel al aangeeft. Architect Karel Verboom is betrokken bij een van de stadsversieringsprogramma's zoals deze rond de eeuwwisseling, met onder andere de kroning en het huwelijk van koningin Wilhelmina, regelmatig werden uitgevoerd. Henriëtte is de vrouw van de architect en in het 'eerste toneel' verloopt de dialoog tussen het echtpaar als volgt:

Karel: Ja dat komt er van als je met een architect getrouwd bent. Je wist 't vooraf. Hoe dikwijls heb ik je in onze engagements-tijd niet verteld dat ons vak bij ons er zó zit ingeroest dat wij geen ogenblik vergeten eraan te denken.

Henriëtte: Ik meen toch, dat toen wij geëngageerd waren, je nog wel eens aan iets anders dacht, dat je meisje toen nog niet bij je vak achterstond.

Karel: En heb ik dan ooit reden gegeven, dat jij dit wel zou denken. En toch, kindlief, of je 't geloven wilt of niet, zelfs in onze sympathie zit iets van ons vak verscholen. Kijk eens, als een architect verliefd is, dan bewondert hij in zijn meisje vooreerst een schoon geheel van zuivere lijnen die 't oog aangenaam aandoen en strelen; hij roemt haar schoon gewelfd voorhoofd: is 't niet alsof hij aan een koepel denkt? Haar ogen zijn, vooral als zij zo helder zijn als die van jou, de venstertjes waardoor hij het vrolijke zonnetje, en van tijd tot tijd de bewolkte hemel te zien krijgt: de wenkbrauwen hangen als sierlijke jaloezieën daaroverheen: haar neus is een geniaal aangebracht balkonnetje, juist uitstekend genoeg om de eentonigheid van het geheel te breken: de mond is...

Henriëtte: Schei maar uit met je quasi-dichterlijke beschrijving. Architect en poeët, dat zou een mooie combinatie zijn! Ik zie in mijn architect heel wat anders. Als ik hem daar nu voor mij zie zitten in die gracieuse houding achterover op zijn stoel wippend, zodat ik ieder ogenblik bang ben, dat hij vallen zal, dan denk ik aan een van die oude krotten, die op 't punt staan van in te storten en door de bouwkundige commissie als onbetrouwbaar zijn afgekeurd. Vliegt hij dan in eens op, alsof zijn stoel onder hem begint te branden, dan herinnert hij mij aan een heiblok, dat door de een of andere lompe machine of nog lomper kerels in de hoogte wordt getrokken.

Karel: Jet, je bent een juweel! Wat een prachtige vergelijkingen! En dat zou beweren dat zij geen geschikte vrouw voor een architect zou zijn. Kom, toon nu helemaal dat je waard bent de vrouw van je man te zijn, en ga je aankleden dan zal ik je Amsterdam in feestdos laten kijken.

Henriëtte: Oh, hou nu toch op met die feestdos! Zij hebben mij daar de gehele dag al mee geplaagd; 't is alsof iedereen gek is geworden. Overal zijn plannenmakers aan de gang die beweren dat zij de stad o! zo poesmooi zullen maken. En waar komt het op neer? Op de beurs der Burgerij.

Tijdens het Theaterfestival 1996 zal 'Een Tempelbouw', toneelspel in vier taferelen door H.P. Berlage, in een bewerking van Carel Alphenaar worden voorgelezen door de architecten: Thymen de Boer, Cees Dam, Liesbeth van der Pol, Erna van Sambeek, Sjoerd Soeters en Moshè Zwarts. De eenmalige voordracht vindt plaats op donderdag 5 september in De Balie in Amsterdam om 16.00 uur.