Goede raad

Een van de grootste vraagstukken van de literatuur is de kijk van de schrijver op zichzelf. De optimistische lees je, sinds de schrijvers zich laten interviewen, in de krant; de pessimistische naderhand, als ze dood zijn, in hun dagboeken. Hoe valt dat te rijmen?

Door het schrijven als beroep te kiezen, bezorgt een mens zich een levenslange loden last. De meeste van alle miljarden woorden die er op dit ogenblik op aarde worden uitgesproken hebben een levensduur van een paar seconden tot een dag. Wat door de radio en de televisie wordt gezegd wordt wel op banden bewaard maar het meeste verdwijnt toch in het zich jaarlijks verdubbelend labyrint van de archieven. Hoeveel van het op de computer geschrevene wordt door de toets delete getroffen; hoeveel diskettes worden ontoegankelijk doordat de programma's onachterhaalbaar verouderd zijn? Alleen wat op papier staat en misschien door kopieerapparaat, printer of drukpers wordt vermenigvuldigd, de materiele neerslag van het denken in inkt op papier blijft algemeen beschikbaar.

Bedenk daarbij ook dat het doen verdwijnen van beschreven, bedrukt papier tot de moeilijkste opgaven van de mens hoort. Was dat niet zo dan zouden er nog veel minder misdadigers worden gevangen. Het op papier vastgelegde woord wordt degene die het heeft geschreven, nagehouden. Zoiemand heeft bij wijze van spreken haar/zijn eigen vervolging over zich afgeroepen, bovendien een vervolging door een ongetelde menigte willekeurige onbekenden. Een zet-, spel- of schrijffout kan al een depressie veroorzaken. De mensen die van het schrijven hun beroep maken, moeten daarmee leven. Geen wonder dat veel schrijversdagboeken deprimerende lectuur zijn. Niet alleen leest het meeste als een verzameling weerberichten, zoals W. F. Hermans heeft vastgesteld; de gemiddelde neerslag is die van, noem eens een regenrijk gebied. Ook wordt er veel melding gemaakt van raadslachtige pijnen, voorwerpen die weggeraakt zijn, en nog veel erger dingen. Wie schrijft zit het niet mee.

Dat zijn de nadelen van het voordeel. Op deze aard waar daden als verhaaltjes achterblijven, leeft altijd voort wie wist te schrijven, heeft E. du Perron ongeveer gedicht. Kortom, Napoleon heeft het grootst geweld bedreven maar Piet heeft heel zijn leven doorgeschreven. (Het is anders, dat weet ik, maar dit is de essentie). Met ook dat besef leeft de schrijver. Van lieverlee gaat het verder, hij leert zichzelf in het geheim bewonderen, smult van zijneigen goedgelukte zinnen, denkt: wie ben ik dat ik hem dit geleverd heb. Later kan zo'n ogenblik van vervulling in zijn tegendeel verkeren maar wat hier telt is het moment.

Er is een tijd geweest waarin de meeste schrijvers er geen geheim van maakten dat ze zo'n zonnige kijk op zichzelf hadden: Ik heb altijd gelijk, opeens wist ik alles, goed beschouwd is het bij mij begonnen, eigenlijk is het allemaal mijn schuld, ik ben de grootste. Telkens als ik zo'n zinnetje zie neem ik me voor er een verzameling van aan te leggen en zet de gedachte bij in mijn massagraf van onuitgevoerde plannen. Nu zeker, want hier gaat het om: er is een tijd geweest.

Dat las ik in het interview dat HP/De Tijd deze week met A.F.Th.van der Heijden (45) afgedrukt. Vraag: Maar u bènt toch de grootste schrijver van Nederland? Antwoord: “Het staat iedereen vrij dat te roepen. Als collega X zich de grootste schrijver van het land wil noemen en die megalomanie nodig heeft om een meesterwerk te schrijven, dan mag hij van mij zijn gang gaan. Zo'n brevet waarin staat dat hij de grootste is, wil ik zelfs voor hem ondertekenen, inclusief lakzegel. Je moet jezelf een heleboel wijsmaken om tot iets te komen: ik kan een voldragen, volwaardige roman schrijven binnen vier maanden. Die hoogmoedswaanzin heb ik nodig om op gang te komen.”

Hier staat de oplossing: hoogmoedswaan als schrijfgereedschap. Nooit zal het iemand lukken iets lezenswaardigs op papier te krijgen als zij/hij zich bij voorbaat tegenover zichzelf en de wereld verontschuldigt voor iets wat nog niet eens op papier staat. Schrijven is een geheime Tachtigjarige oorlog van hoogmoed tegen neerslachtigheid. Vergeet niet: een geheime. Openbare hoogmoed zie je alleen nog in sportkringen en entertainment. Eigenlijk zouden schrijvers zich daarom nooit moeten laten interviewen want voor ze het weten staat er een verkeerde kop boven.