Gered door de jaren negentig

Martin Aston, Pulp, Pan Books, 208 blz., ƒ 26,60.

Het gebeurt niet vaak dat er een volwaardige biografie verschijnt van een popgroep die nog maar twee jaar succes heeft. Maar in het geval van de Engelse band Pulp uit Sheffield is een biografie al op zijn plaats. De groep mag dan pas sinds 1994 populair zijn, ze bestaat al sinds 1978. Toen richtte zanger Jarvis Cocker (1963) samen met schoolvrienden de groep Arabacus Pulp op, vernoemd naar een soort koffieboon.

Er volgde veertien jaar van armoede, komende en gaande bandleden, incapabele platenmaatschappijen en voorbijstrevende collega's. In 1987 vertrok Jarvis Cocker zelfs naar Londen om aan de St. Martin's School of Art film te gaan studeren. Het leek het einde van Pulp. De andere groepsleden zochten een baantje of, zoals in twee gevallen, werden lid van een religieuze sekte. Maar de muzikanten hielden contact, en met het begin van de jaren negentig keerde het tij. Het publiek bleek nu wel gevoelig voor Pulps theatrale, soms bombastische muziek met de expressieve zang van Cocker en genoot van de optredens met discoballen, zilverpapier en Cocker als languissante dandy in een mottige bontjas. De doorbraak naar een groot publiek kwam in 1994 met de cd His 'N' Hers, waarna de groep vorig jaar de sterrenstatus bereikte dankzij de single 'Common People' en de cd Different Class.

De Britse journalist Martin Aston heeft onder de simpele naam Pulp een biografie geschreven. Astons boek gaat vooral over de muzikale prestaties van de bandleden. Bijna ieder nummer dat de groep ooit heeft opgenomen, wordt beschreven en getypeerd, en van vele songs wordt de tekst geanalyseerd. Dankzij deze aanpak is de ontwikkeling van de groep goed te volgen.

Maar de interessantste vraag omtrent Pulp is natuurlijk waarom het zo lang geduurd heeft voordat iemand iets in de groep zag. Een antwoord daarop zou kunnen zijn dat de muziek vóór 1990 gewoon nog niet goed genoeg was. In ieder geval sloot Pulp nooit aan bij de trends; hun muziek, die nu juist opvalt door de glamour, klonk somber toen Joy Division allang weer uit was. En toen er in hun woonplaats Sheffield een 'industriële' scene ontstond, met groepen die zich voor de 'sound' en ritmes lieten inspireren door de plaatselijke staalfabrieken, volhardde Pulp in opgewekte disco-deunen.

Aston suggereert dat Cockers verblijf op de kunst-academie in Londen, eind jaren tachtig, aan de omslag heeft bijgedragen. In Londen speelde zich in die tijd de eerste house-party's af met bijbehorend drugsgebruik. Daar zou Cocker een nieuw soort hedonisme hebben opgedaan. De teksten die hij daarna schreef gingen bijna allemaal over lust of gefrustreerde lust. Zoals het nummer Babies waarin een jongen zich in een kast verstopt om de zus van zijn beste vriend te bespieden. Als zij de jongen ontdekt verleidt ze hem, waarna hij zich bij zijn vriend verontschuldigt met de woorden 'ik deed het alleen maar omdat ze op jou lijkt'.

Astons boek is niettemin te afstandelijk. Het is een biografie van feiten, in plaats van verhalen. Er wordt weinig verteld over het levens van de mensen die samen deze ongewone popgroep vormen. Gitarist Russell Senior vergeleek het eindeloze wachten of het ooit nog iets zou worden met de band, met het wachten op 'death row': “Het was alsof de executie steeds maar weer werd uitgesteld. Soms wilde ik schreeuwen 'Alsjeblieft, voltrek het vonnis òf spreek ons vrij.” Maar wat bewoog ze om steeds maar weer door te gaan, ook toen Cocker zijn hele huisraad moest verkopen om nog wat eten te kunnen kopen?