Elke dag zwaardvis

Op de dag dat ik de smerigste zwaardvis geserveerd kreeg die ik ooit gegeten heb, ontmoette mijn vriendin vijfduizend kilometer verderop de man van haar leven. Zo zei ze dat natuurlijk niet. Ze is er de persoon niet naar mensen 'man van mijn leven' te noemen. Maar uit haar beschrijvingen maakte ik toch wel degelijk op dat het om de man van haar leven ging.

Om liefde in ieder geval. Om liefde die verboden was nog wel. Dat is de ergste liefde. Dat vuur is nauwelijks meer te doven. Ik zat in een restaurant Meerzicht aan het meer van Saratoga, ongeveer driehonderd kilometer ten noorden van de stad New York. Op de deur hing een groot bord, 'vers gevangen vis'. Ik informeerde wat dat voor vis was en men vertelde mij dat het om zwaardvis ging.

Ik kreeg een plaatsje aan het raam met uitzicht op het meer, maar het was zo donker dat ik net zo goed uit had kunnen kijken op een begraafplaats of een afgegraasd weiland. Hoewel de zwaardvis gegrild was, zag hij er behoorlijk glazig uit. Het leek wel alsof hij aan ernstige koorts was overleden. Eén hap was voldoende. Deze vis was niet vandaag gevangen, maar vijftig jaar geleden. Toen de serveerster informeerde of alles naar wens was, durfde ik haar niet aan te kijken en mompelde 'prima'. Later zag ik haar giechelen met de eigenaar, waarschijnlijk haar vader, en daarbij keken ze voortdurend naar mij. Zij had zich moeten schamen, omdat ze mij bedorven zwaardvis had geserveerd. Maar ik schaamde me voor haar, omdat zij zich niet schaamde. Mensen zijn merkwaardig. Ik ben opgehouden daar redenen voor te zoeken. Vooral uit praktische overwegingen. Ik wil zo graag een praktisch mens zijn. Iemand die op zondagochtend gaat klussen voor zijn buurman.

Ik at de rijst en de groente en nam tien happen van het minst bedorven gedeelte van de zwaardvis. Terwijl ik dat deed, stelde ik me voor hoe de eigenaar van restaurant Meerzicht ten overstaan van zo ongeveer de hele bevolking van Saratoga op een podium zou klimmen. Ik stond er ook op. 'Geen enkele gast', zou de eigenaar zeggen, 'heeft ooit meer dan een klein hapje van deze zwaardvis kunnen eten. Maar deze jongeman heeft met gevaar voor eigen leven tien happen van de zwaardvis gegeten, om de eer van ons restaurant en de eer van de zwaardvis hoog te houden, daarom zullen wij hem trakteren op een jaar lang gratis zwaardvis.' Een gejuich gaat op uit de menigte. Ik word op een stoel getild en door het dorp gedragen. Jonge vrouwen en kinderen willen met mij op de foto. Ook krijg ik een sjerp om waarop staat Mr. Zwaardvis. Deze gedachten voorkwamen dat ik ging kokhalzen. Ik bestelde geen koffie, want ik was bang dat die ook van vijftig jaar geleden zou zijn, wel dronk ik mijn wijn op. Ik bedekte mijn bord onder een servet, betaalde en liep toen naar de uitgang waar ik de eigenares vroeg een taxi voor me te bellen.

Ze keek me aan alsof ze het niet kon geloven.

'Is je auto gestolen', informeerde ze.

'Nee', zei ik, 'ik heb er geen, ik kan niet rijden.'

Er ging een siddering door haar heen. Die is niet goed wijs, dacht ze, daar was geen twijfel over mogelijk.

Ze pakte de hoorn van de haak. 'Bel zelf maar.'

Zo ongeveer op dat moment moet mijn vriendin de man van haar leven zijn tegengekomen. Ik heb dat vrij precies kunnen nagaan. Daar had ik het trouwens wel naar gemaakt, dat ze dat soort figuren zou tegenkomen.

Misschien is het helemaal niet met de bedorven zwaardvis begonnen, maar met de taxichauffeur die dacht dat ik uit Vietnam kwam.

Laat ik proberen chronologisch te zijn. Mijn vriendin klaagde er ook altijd over dat ik afdwaalde, vooral als ik dronken was. Soms viel ik helemaal stil. Tijdens een belangrijk diner waarbij al haar zakenrelaties aanwezig waren, schijn ik verklaard te hebben dat ik een importeur was van koelkasten en dat ik iedereen die op dat diner aanwezig was wel aan een voordelig koelkastje kon helpen. Ik heb altijd de volle verantwoordelijkheid opgenomen voor al mijn woorden en daden, maar dat heeft niet altijd zin. Woorden zijn vergif, vooral als je van iemand houdt, om over daden nog maar te zwijgen. Het toeval wil dat ik degene die de man van haar leven is geworden vrij goed ken. Per fax word ik op de hoogte geouden van alle romantiek.

Nu zal ik niet meer afdwalen.

Het begon allemaal op de dag dat Bob Dole zijn grote toespraak hield op de Republikeinse conventie. Ik moet drie trappen naar beneden om bij de voordeur te komen en voor iedere deur hoorde ik, 'when I am president'. Wat Dole zou doen als hij president was, ben ik nooit te weten gekomen, want ik ging naar Stanleys Bar. Ik ben meestal op hetzelfde tijdstip op dezelfde plaatsen.

Een kennis die ik mee had genomen naar Stanleys Bar schreef mij, 'een wereld van verderf is voor mij open gegaan'.

Daaraan heb ik niets toe te voegen. Hooguit alleen dat de wereld van het verderf op iedere straathoek voor je open kan gaan. Als je wil tenminste.

Ik stak een sigaartje op en staarde voor me uit. Mijn favoriete bezigheid op dit uur van de dag, eigenlijk op elk uur van de dag, voor me uit staren dus.

Tijdens mijn tweede sigaartje kwam iemand uit een donkere hoek in mijn richting geschuifeld - het is nogal donker in Stanleys Bar en het ruikt er naar wierook. Het meest opvallende aan haar was dat haar rechterbeen in gips zat. Daarom schuifelde ze ook. Toen ze dichterbij kwam zag ik dat dat gips paars was geverfd.

Met dat paarse been stootte zij tegen mijn tafeltje.

Ik geloof dat ik nu moet vertellen dat ik mijn hele leven al een Don Juan heb willen zijn.

Wordt vervolgd.