Een kort tijdperk met thee voor Vlaanderen

Jan Parmentier,Thee van overzee. Maritieme en handelsrelaties tussen Vlaanderen en China tijdens de 18de eeuw, Ludion/Havenbestuur Brugge/ Zeebrugge, (importeur Jan Smit Boeken, Hilversum), 143 blz, ƒ 64,50.

Toen bij de Vrede van Utrecht de Spaanse Zuidelijke Nederlanden begin achttiende eeuw aan Oostenrijk toegewezen werden, verloren de kooplieden uit het Zuiden ook hun handelsrechten op de Spaans en Zuidamerikaanse markt. De kooplieden van Vlaanderen begonnen daarom een nieuwe route te bevaren: de Chinese, met het oog op de theehandel en ook op zijde en porselein.

Het ging eerst vlot en zij richtten de Generale Keijserlycke Indische Compagnie, in navolging van de Verenigde Oostindische Compagnie in de republiek en de Engelse East India Company.

Maar al na vijf jaar werd Generale door de Oostenrijkse overheid verboden en zeven jaar later, in 1734, moest hij worden opgeheven. De concurrenten in Engeland, Frankrijk, Holland hadden dat gedaan gekregen in ruil voor instemming met de Pragmatieke Sanctie waarbij prinses Maria-Theresia toch troonopvolgster in het keizerlijke Habsburgse Rijk mocht worden.

Al heeft de Zuidnederlandse deelneming aan de handel op het Verre Oosten toen maar ongeveer vijftien jaar geduurd, de hedendaagse Belgen willen het toch nog eens proberen. Dat blijkt althans uit de voorwoorden van de premier van Vlaanderen en de voorzitter van de haven van Zeebrugge in het boek over deze korte episode in de achttiende eeuw.

Zeebrugge heeft deze zomer zelfs een tentoonstelling in Hong Kong georganiseerd om de Chinezen aan te moedigen. In het boek zijn de gegevens daarvan verwerkt voor de Vlaamse thuismarkt.

Het is een mooie uitgave met kleurrijke illustraties (landkaarten, oude prenten, Chinese kunstvoorwerpen) die de pagina's opluisteren.

De tekst geeft in het kort veel informatie over de scheepsbouw, de zeeroutes, de arbeidsvoorwaarden van de zeelieden, de relaties met de Chinezen in Canton, de thee en de opbrengst.

Dat is leerzaam, voor Nederlanders des te meer belangwekkend omdat onze voorouders erin uitkomen als venijnige concurrenten voor de Zuidelijke overzeese handel.

De leesbaarheid had nog groter kunnen worden als de auteur zich minder onpersoonlijk uitgedrukt had. Misschien was het zijn opdracht om uit het zicht te blijven.

Maar wie verder wil studeren ontmoet tot slot een gedegen opgave van bronnen en een bibliografie. Zo is dit op zijn minst een uitgave geworden die met respect behandeld verdiend te worden.