Echt en non-echt

Alle grote fictieboeken werden geschreven met de pretentie dat ze, hoe onwaarschijnlijk ook, echt waren gebeurd. De scheiding tussen fictie en non-fictie in boeken is nonsensikaal. Vandaar dat het goed is dat deze heilloze scheiding wordt opgeheven

De werkelijkheid bezit geen kerken, geen gelovigen, geen brandstapels, geen psalmen. Zij heeft die niet nodig. Zij laat zich zonder protest onderzoeken, schoppen, beledigen. Weet u wat de werkelijkheid laatst is overkomen? Dat zal ik u vertellen.

Zo lang er schrift bestaat, wordt er over de werkelijkheid geschreven. Boodschappenlijstjes, geslachtsbomen, recepten, afrekeningen, routebeschrijvingen, testamenten, zonsverduisteringen, medicijnen, gerechtsuitspraken, het werd allemaal opgeschreven. En sinds het boek en daarna de boekdrukkunst, zijn uitgevonden, wordt de werkelijkheid onophoudelijk in boeken vastgelegd, beschreven, verheerlijkt en vervloekt. En weet u hoe ze sinds kort die boeken over de werkelijkheid, de enige echte, onvervangbare, ons cadeau gedane, niet kapot te krijgen, werkelijkheid noemen? Die boeken noemen ze: non-fictie.

Noem de mensen de non-dingen, noem de nacht non-dag, noem rood non-groen, noem hier non-daar, noem voor mijn part uw hand non-voet, maar welke non-valeur was ooit zo nonchalant de boeken waarin iets omtrent de werkelijkheid wordt opgeschreven de nonsensikale benaming non-fictie te geven?

Er is geen principieel verschil tussen fictie en non-fictie in boeken. Elders wel. Zap naar een willekeurige kabelzender en u ziet het onmiddellijk: op die ene zender wordt geacteerd, en op de andere zender wordt ons een stuk van de werkelijkheid getoond. Hoe de tv-kijker dat verkijkt weet ik niet, maar hij kan het zonder er les in te hebben gekregen. Er is fictie-tv en er is nonfictie-tv.

Wat is het oudste boek? Homerus of de Bijbel? Zijn die boeken fictie of niet-fictie? Bij het Homerisch epos mag die vraag gesteld worden en mag de burgemeester van Leiden bewijzen dat Odysseus in Brindisi de veerboot nam. Bij de Bijbel is de vraag stellen al gevaarlijk. Want de gelovigen zien in de Bijbel niet als fictie en ze willen ook niet dat anderen dat doen. “De Bijbel is Gods woord”, roepen zij en ik zal ze niet tegenspreken. Maar waarom blijkt uit de vaststelling dat de Bijbel door God is geschreven, dat de Bijbel dus geen fictie is? Zou God, die de hele wereld heeft bedacht, niet ook nog een boek kunnen fantaseren?

Alle grote fictieboeken werden geschreven met de pretentie dat ze, hoe onwaarschijnlijk ook, echt zijn gebeurd. De belevenissen van avonturtier Gulliver, van avonturier Quichote, en van avonturier Crusoë, ze zijn, denk ik, verzonnen, maar de verzinner doet zijn uiterste best ons in de echtheid van die avonturen te doen geloven. Niet een priester met een zweep maar het talent van de schrijver zorgt daarvoor. De avonturen van advocaat Katadreuffe, van advocaat Quispel, en van advocaat Lucardi zijn ook verzonnen, maar de hedendaagse schrijver drijft het zo ver, dat hij doet alsof wij zullen geloven dat wat hij schreef echt is en hij zet daarom Roman op zijn boek, en soms nog de waarschuwing dat alle personen en gebeurtenissen verzonnen zijn. De bedoeling is dat de lezer denkt: dat zegt hij alleen maar omdat hij bang is dat staatssecretaris Nuis het boek anders zal verbieden. Geloof Bordewijk, Van der Heijden en Pauwels evenmin als u Swift, Cervantes en Defoe moet geloven: die deden of alles wat ze opschreven echt was gebeurd. Een schrijver spreekt altijd de waarheid, behalve als het over de waarheid van zijn boek gaat. Alle grote non-fictie-boeken bevatten op essentiële punten verzinsels. De lezer beseft dat wel, maar hij wil de schrijver, omdat die zo mooi schrijft, graag voor waarheidsspreker houden, of hij wil graag in de mooie voorspellingen geloven. Marx, Darwin, Freud, ze zijn begonnen als laagbijdegrondse wetenschappers, maar ze zijn allang ontpopt tot fantasten die je leest omdat ze zo vlinderachtig meeslepend schrijven, maar die je niet hoeft te geloven, tenzij je tot de laatsten der marxisten, darwinskis of freudianen behoort. Dan kun je niet echt genieten van je heilig geschrift, want je moet steeds de ongelovige kapitalisten, genenzoekers en gedragstherapeuten bestrijden.

Wie zijn de Nederlandse schrijvers die men in de hele wereld in alle talen kent? Dat zijn Erasmus en Spinoza, maar die schreven in het latijn. Dat zijn vervolgens Johan Huizinga en Anne Frank. Alle vier schreven ze wat tegenwoordig non-fictie heet. De essentie van wat Huizinga en Frank schreven is dat ze werkelijk gebeurde dingen beschreven, maar met een talent dat hun boeken ook voor wie geen Nederlands kent, onvergetelijk maakt. Wie ze kwaad wil doen, zegt dat ze maar wat verzonnen hebben.

Ton Anbeek riep een kwart eeuw geleden de Nederlandse schrijvers op meer straatrumoer in hun boeken toe te laten. Je kunt geen Nederlands auteur meer openslaan of dat rumoer is te horen. Over de moord op Hans Kok is een documentaire film gemaakt door Barbara den Uyl, maar geen documentair boek geschreven. In De advocaat van de hanen is de zaak-Kok gebruikt. Ook in zijn net verschenen boeken heeft A.F.Th. van der Heijden echte affaires gebruikt. Het tekent het totale misverstand over fictie-nonfictie dat een mevrouw die over zo'n affaire een documentaire had gemaakt, de schrijver van plagiaat beschuldigde. Alsof men patent op de werkelijkheid kan nemen. Plagiaat heet het als een psychologieprofessor halve domme boeken van een andere psychologieprofessor overschrijft en als hij daarop betrapt wordt doodleuk aan de bestolene belooft om de schade te vergoeden door op de Nederlandse televisie reclame voor diens boek te maken. Hier is dus een wetenschapper die openlijk zegt: “Geloof mij niet, ik klets maar wat. Wat ik zeg is óf door een ander bedacht óf bedoeld om die ander geld te laten verdienen”. Maar hij is, vooralsnog, een uitzondering. Om de halve eeuw ontdekken fictie-schrijvers dat ze echte historische gebeurtenissen in hun romans toe moeten laten. In 1970 kwam T. Wolfe vertellen dat je in non-fictie literaire technieken kan gebruiken. HIj noemde dit new journalism. Maar Mencken en Capote, en Zola en Multatuli, en Hermans en Paustowsky, en Orwell en Flaubert, en Tolstoj en Homerus, en alle grote fictieschrijvers, wisten dat altijd al. Multatuli werd razend als zijn lezers zijn stijl prezen. Daar gaat het niet om! Het gaat om wat ik zeg! Hij vergeleek zich met de moeder die haar kind ziet verdrinken en gilt, waarop een omstander zegt: “Wat heeft u een mooie stem!”. Mulisch schrijft al een halve eeuw onverstoorbaar aan een oeuvre waarin fictie en non-fictie niet te scheiden zijn, maar dat hardnekkig als literatuur wordt beschouwd.

In deze krant, en ook in de andere, De Volkskrant, werden literaire boeken en niet-literaire boeken in gescheiden katernen gerecenseerd. Dat is verkeerd. Wie graag literatuur leest, denkt dat hij het andere katern kan weggooien, en andersom. Bij literaire boeken is vaak veel te zeggen over de werkelijkheid die er in voorkomt en bij weetboeken is er vaak veel te zeggen over de stijl, en de fantasie van de auteur. Het is dan ook een geluk dat deze krant, en ook de andere, besloten hebben om aan die heilloze splitsing een eind te maken. Alle grote recensietijdschriften in de wereld doen dit al jaren. Je treft daar zelfs recensies waarin een literair werk, een biografie en een essay, in één stuk behandeld worden omdat ze door, van en betreffende een en dezelfde auteur geschreven werden.

Over het recenseren van literatuur en non-fictie in Nederland mag niet geklaagd worden, maar ik doe het toch. Ik zou zo graag lezen wat een niet-professionele, maar toch verstandige, recensent van een bepaald boek vindt. Altijd worden weetboeken besproken door mensen die op datzelfde gebied ook een boek geschreven hebben of willen gaan schrijven. Dan krijg je dat een idioot boek als Tiplers De fysica van de onsterfelijkheid wordt besproken door dr. W. Drees, de enige Nederlandse theoloog die ook fysica gestudeerd heeft (en die bovendien in het voorwoord door Tipler bedankt wordt!). Ik zou veel liever lezen wat een astronoom als Icke of een fysicus als Casimir, of voor mijn part een theoloog als Kuitert of een godloochenaar als ik, over dat boek zouden schrijven. Er bestaan wel degelijk zinvolle tweedelingen in boekenland. Ik noem er drie.

Er zijn boeken in de Nederlandse taal geschreven en er zijn boeken in een andere taal geschreven. Of dat wenselijk is en altijd zo zal blijven, dat is nu niet aan de orde. De hele eenentwintigste eeuw zal het Nederlands nog bestaan en zal het Engels niet overal gewonnen hebben. Aangezien men nergens anders in de wereld onze prachtliteratuur serieus volgt, moeten wij dat doen. Daar staat tegenover dat wij hier meestal boeken uit andere literaturen pas recenseren als ze vertaald zijn. Wie er eerder bij wil zijn moet maar de Times Literary Supplement of soortgelijk blad lezen.

Er zijn, tweede tweedeling, uiterst actuele boeken van tien jaar, of zelfs vijfhonderd jaar geleden en er zijn boeken van vorige week. In een krant valt de aandacht op wat de afgelopen maand is verschenen. Maar een verstandig recensieblad laat merken dat ook boeken van meer dan een jaar oud de moeite waard kunnen zijn. Geen boek verschijnt uit het niets.

Er zijn - en bij die derde tweedeling zitten we bij waar het ons hier om gaat - goede boeken en slechte boeken. In de kranten worden alleen de goede boeken gerecenseerd. Een recensie zegt dus niet: dit boek is goed of dit boek is slecht. Een recensie zegt: dit boek is goed, anders besteedden we er geen aandacht aan, en onze recensent gaat u vertellen hoe goed het is, en waarom.

Waarom gaat het bij boeken zo? Iedere Nederlandse film, hoe hopeloos en liefdeloos ook, krijgt aandacht in de kranten. Iedere opvoering van een opera krijgt een halve pagina. We zien hier de consequentie van het grote verschil in kwantiteit tussen de Literatuur aan de ene kant en alle andere kunsten aan de andere kant.

Wie van opera houdt, kan in zijn leven alle opera's die van belang zijn, horen en op zijn slofjes de nieuwe bijhouden. Wie van films houdt, kan in een paar jaar op de nachtelijke zenders, of op video, alle films van belang die ooit zijn gemaakt, zien. Dat komt misschien omdat film nog maar een eeuw bestaat. Wie van muziek houdt, kan zorgen dat hij van alle grote componisten de symfonieën in huis heeft. Wie van schilderijen houdt, kan in zijn leven door achtendertig musea te bezoeken een uitstekend beeld krijgen van de totale wereldschilderkunst.

Bij boeken kan dit alles niet. Zelfs wie elke dag een boek leest, blaast zijn laatste adem uit terwijl nog duizenden boeken van grote kwaliteit ongelezen naast zijn sterfbed liggen.

Vanwege dat grote kwantiteitsverschil moeten kranten meer papier besteden aan literatuur dan aan de andere kunsten. De boekenvloedgolf moet door uitgevers, importeurs, boekverkopers, krantenredacteuren, en recensenten, ingedamd worden. Ik beklaag mijn kleinkinderen als straks inderdaad gebeurt waar de internetters mee dreigen dat elk boek van elke gek op het internet gezet wordt, zodat je daar ronddwaalt als een blinde in een bibliotheek.