Diepenveen verzet zich tegen inlijving door Deventer

De geschiedenis herhaalt zich in het Overijsselse Diepenveen. Net als begin jaren zeventig zijn er plannen deze gemeente bij Deventer te voegen, maar destijds ging de fusie ging niet door na ingrijpen van de Eerste Kamer.

DIEPENVEEN, 30 AUG. Een nieuw logo siert stropdas en sjaal die de landelijke gemeente Diepenveen (Overijssel) als relatiegeschenk verstrekt. Het is de afbeelding van een beukennootje: “Omdat Diepenveen rijk gezegend is met fraaie, oude beuken”, verklaart burgemeester A.D. van den Bergh. “En de beukennoot mag dan een harde bast hebben, van binnen is hij blank en fijn.”

Het vignet kwam in de plaats van een kikker, die uit de vroege jaren zeventig stamde en ontleend was aan de kreet “Laat de kikkers niet verstommen”. Met deze, aan het milieubewustzijn appellerende slagzin kwamen gemeentebestuur en burgerij heftig in verzet tegen inlijving door de buurstad Deventer, een actie die in laatste instantie met succes werd bekroond: op 17 april 1973 haalde de Eerste Kamer een streep door de plannen, zodat Diepenveen zelfstandig kon blijven voortbestaan.

Bijna een kwart eeuw later dreigt Diepenveen, dat 10.600 zielen telt en uit verscheidene dorpen bestaat, opnieuw door zijn grote broer te worden opgeslokt. Afgelopen week spraken Gedeputeerde Staten, gesteund door staatssecretaris Vandervondervoort (Binnenlandze Zaken), zich uit voor toevoeging van deze gemeente en Bathmen aan het Deventer grondgebied om zo een eind te maken aan de ruimtenood waaronder de IJsselstad volgens GS te lijden heeft. Door gebrek aan mogelijkheden voor uitbreiding, aldus het dagelijks bestuur van provincie, kan Deventer onvoldoende profiteren van zijn gunstige ligging aan de route van West- naar Oost-Europa.

Net als in de jaren zeventig worden in Diepenveen de messen geslepen, want de annexatieplannen roepen dezelfde weerstanden op als toen. Alleen de argumenten die het verzet onderbouwen, zijn anders. Destijds werd vooral een beroep gedaan op het belang van de kleine, overzichtelijke gemeenschap met een nauwe relatie tussen bevolking en bestuur: de 'kleine' democratie, zoals geestdriftig beschreven in een rapport van de Utrechtse socioloog prof. Sj. Groenman, die voor Diepenveen (en andere met opheffing bedreigde randgemeenten) door het vuur ging.

“Nu gooien we het over een andere boeg, die van de huisvesting”, zegt burgemeester Van den Bergh, “en dan kunnen we vaststellen dat in het geval-Deventer van ruimtenood geen sprake is. Wij moeten Deventer helpen, maar dat hebben we al gedaan.” Hij doelt speciaal op het gebied Colmschate, 1.500 hectare groot, dat vroeger bij Diepenveen hoorde, maar bij wet aan Deventer werd toegewezen voor woningbouw. Daar is volgens Van den Bergh nog maar gedeeltelijk gebruik van gemaakt. “Er wonen nu zo'n 20.000 mensen, maar daar kunnen er zeker nog 10.000 bij.” Bovendien mag Deventer krachtens een convenant met Diepenveen een serie weilanden en maisakkers onder de naam Steenbrugge voor zijn nieuwe uitleg benutten.

Ook ditmaal is een neutrale buitenstaander ingeschakeld om een onderzoek ter zake in te stellen. Prof. H. Priemus, volkshuisvestingsexpert aan de Technische Universiteit van Delft, bracht voor Diepenveen rapport uit waarin hij concludeert: Deventer kan aan zijn opdracht als Vinex-locatie (stadsuitbreiding in het kader van de Vierde Nota Ruimte Ordening Extra) ruimschoots voldoen; de stad heeft voor de komende 20 tot 25 jaar ruimte genoeg op eigen grondgebied (Colmschate) en dat van Diepenveen (Steenbrugge). En daar voegt Van den Bergh nog iets als een geloofsbelijdenis aan toe: “Wij, bestuurders en ambtenaren van Diepenveen, kunnen de toekomst van onze gemeente gemakkelijk aan.”

Hij voelt het als zijn plicht pogingen in het werk te stellen de Overijsselse Statenleden, die op provinciaal niveau het laatste woord hebben, op andere gedachten te brengen. “Ik zal ze stuk voor stuk uitnodigen de zaak persoonlijk in ogenschouw te nemen.” Enige hoop op een goede afloop ontleent Van den Bergh aan de recente gebeurtenissen bij de gemeentelijke herindeling van Noord-Brabant. Staatssecretaris Vandervondervoort wilde Goirle bij Tilburg voegen, tegen de zin van de Brabantse Staten, maar daar heeft de Tweede Kamer een stokje voor gestoken.

“Een lieflijk dorp”, meldt een Diepenveense folder, die de bezoeker op het gemeentehuis meekrijgt. “Statige villa's tussen het groen en indrukwekkende bomen die het dorpsgezicht bepalen.” En dan is er nog een mooi vijftiende-eeuws kerkje, dat vroeger bij een vrouwenklooster hoorde. Deze idylle mag dan anno 1996 officieel als strijdmiddel niet meetellen, op de achtergrond speelt ze nog een rol van belang. Ook bij sommige voorstanders van samenvoeging, die vrezen “dat het kapitaal wel weer zal winnen”, een schampere verwijzing naar het hoge percentage welgestelden in Diepenveen, die slechts hechten aan handhaving van de landelijke rust.

Ook Colmschate was ooit zo'n lieflijk plaatsje, maar wie er nu doorheen rijdt, moet vastellen dat er weinig of niets van over is onder invloed van een moderne stadswijk. Hier is het gekwaak van de kikker definitief verstomd.