Denkers op drift

Tity de Vries Complexe consensus. Amerikaanse en Nederlandse intellectuelen in debat over politiek en cultuur, 1945-1960. Uitg. Verloren, 334 blz. ƒ 60,-.

Een intellectueel is iemand met een gezwollen kop maar een lege maag. Dat althans meende Mao Zedong. Een andere kenner van de materie, Spiro Agnew, vice-president van de Verenigde Staten onder Richard Nixon, had een nog duidelijker opvatting. Een intellectueel, betoogde hij, is iemand die niet in staat is zonder hulp z'n fiets op slot te doen.

Zij hadden beiden gelijk, maar dat is niet de enige reden waarom het schrijven over intellectuelen zo'n hachelijke zaak is. Erger is dat 'intellectueel' een woord is zonder duidelijke betekenis, un terme fluïde, zoals de Fransen (specialisten in woorden zonder duidelijke betekenis) dat uitdrukken. In het begrip intellectueel is een sociale categorie onontwarbaar verknoopt met een culturele habitus en maatschappelijke ambities. Daarom kan men niet anders dan bewondering hebben voor het vasthoudendheid van de Groningse historica Tity de Vries, die zeven jaar werkte aan haar dissertatie Complexe consensus, een vergelijkend onderzoek naar Amerikaanse en Nederlandse intellectuelen in de jaren van de Koude Oorlog.

Wie op voorhand meent dat Amerikaanse denkers (in dit geval de zogenaamde 'New York Intellectuals') en Nederlandse denkers (in dit geval enkele PvdA-coryfeeën zoals Willem Banning, Fred L. Polak, Jacques de Kadt en Joop den Uyl) niet of nauwelijks van elkaars bestaan op de hoogte waren, en dat een vergelijking dus gedoemd is in algemeenheden te blijven steken, heeft het bij het rechte eind. De slotconclusies van dit werk zijn dan ook onontkoombaar nietszeggend: voor beide groepen denkers blijken de herbezinning “op het Westerse menselijke bestaan” en de erkenning “van de spanning tussen rede en emotie” kernelementen van hun denken, terwijl de oorlog de eensgezindheid over de verdediging van vrijheid en democratie “ongetwijfeld” versterkte.

De weinig vruchtbare vraagstelling en de navenant magere uitkomst wil niet zeggen dat het boek de moeite van het lezen niet waard is. De Vries biedt haar werk in een tamelijk breed overzicht van enkele soms interessante naoorlogse discussies die werden gevoerd in bladen zoals Partisan Review, Dissent of Commentary, en aan onze kant van de oceaan in Socialisme en Democratie, Wending, of De Nieuwe Stem.

Nederland heeft nooit een 'intellectuele traditie' gehad, maar des te meer een ambtelijke, en duidelijk wordt dat de bij ons gevoerde debatten soms wel heetten te gaan over de 'cultuurcrisis', maar in feite vooral waren gericht op de praktijk van verzuiling, verdeling van welvaart en wederopbouw. Betogen daaromtrent werden slechts door een enkeling gedompeld in gemoraliseer inzake de 'moderne massamens'. In ieder geval zullen weinigen nu nog begerig grijpen naar het werk van Banning, Tas, Dippel, Strijd of Polak, die zonderlinge socialistische futuroloog en cultuurfilosoof van de koude grond.

Dat geldt niet voor de geschriften van de New York Intellectuals. Deze kleine groep van meest joodse denkers, afkomstig uit arme immigranten-milieus, schreef een oeuvre bijeen dat niet alleen nog steeds wordt herdrukt en bestudeerd, maar ook een aanzienlijke invloed heeft gehad. Het gaat hier om figuren zoals Irving Kristol, Mary MacCarthy, Lionel Trilling, Diana Trilling, Norman Podhoretz en in zekere zin ook Hannah Arendt. De historicus Maarten van Rossem beschreef ze in zijn dissertatie uit 1983 als een generatie die een 'dubbele bekering' heeft gekend: vóór de oorlog waren ze radicaal links of communistisch, na de oorlog gematigde en gedesillusioneerde verdedigers van de Westerse waarden. (Voor sommigen kwam er later trouwens nog een derde bekering tot neoconservatieven.)

De debatten die de New York Intellectuals voerden, handelden niet over het nut van het Centraal Plan Bureau, maar over de zin van 'De Geschiedenis', over de totalitaire persoonlijkheid en over de ambivalente relatie tussen individu en samenleving. Hun bijdragen aan bladen zoals Partisan Review en Dissent zijn echter niet alleen interessant omdat zij hoog grepen, maar ook omdat zij met hun eigen intellectuele koersbepaling worstelden. In feite ontdekten zij tijdens de oorlog dat hun eigen uitgangspunten nergens op sloegen. Dat betrof niet zozeer hun streven naar sociale rechtvaardigheid, maar wel hun optimistische mensbeeld en hun vooruitgangsgeloof. Het soms heftige naoorlogs anticommunisme van deze groep is voor een groot deel te verklaren uit de verpletterende zwaarte van het menselijk tekort dat zij plots op hun schouders voelden drukken.

Dat is ook de reden waarom bijvoorbeeld Howe en Trilling zich in de jaren zestig zo gramstorig keerden tegen de jeugdige hemelbestormers. Zij zagen de counter-culture bovenal als een bewijs van een sterk gevulgariseerde levensvisie, zoals Jeroen Koch terecht beklemtoont in zijn Lionel Trilling het modernisme uit 1988 (helaas door De Vries over het hoofd gezien). Waar de New York Intellectuals van gruwden, was de vervanging van hun eigen complexe intellectuele balanceerkunst door wat zij zagen als de infantiele drang tot onmiddellijke bevrediging van persoonlijke wensen en lusten.

Het is dan ook waarschijnlijk te simpel om te suggereren dat de New York Intellectuals 'spreekbuizen' van de end-of-ideology gedachte waren, en kampioenen van de consensus. Wat zij probeerden, was de verdediging van een burgerlijk-intellectuele beschaving waarin allerlei tegenstrijdige opvattingen, paradoxen en dilemma's konden bestaan zonder dat men de pretentie had er direct een oplossing voor te hebben. Voormannen zoals Howe, Trilling en Macdonald hebben de Amerikaanse zelfgenoegzaamheid in de jaren vijftig nimmer onderschreven.

In zekere zin eindigden de New York Intellectuals met de verdediging van het negentiende-eeuwse continentale denkklimaat waaruit zij voortkwamen. Dat zo'n klimaat echter nooit weerom zou komen, onderkenden zij niet of te laat. Pas in 1972 schreef Irvin Kristol in Commentary een sombere grafrede voor de intellectueel oude stijl die volgens hem werd verdrongen door een nieuw soort pseudo-intellectueel. “Het probleem is”, betoogde hij, “dat onze samenleving steeds meer 'intellectuelen' opkweekt en steeds minder gewone mensen. Westerse landen hebben nu een grote groep mensen die zich de houding, symboliek en taalcodes van intellectuelen hebben eigen gemaakt, en die van zichzelf denken dat ze intellectueel zijn, hoewel ze intellectuele vorming volstrekt missen - en vaak zelfs geen enkele intellectuele competentie bezitten.”

Zelden zal een oude mopperkont zo de spijker op z'n kop hebben geslagen, maar de vraag of dit alles erg is, wordt daarmee niet beantwoord.