Deel van romp Titanic uit zee gelicht

NEW FOUNDLAND, 30 AUG. Na 84 jaar op de bodem van de Atlantische Oceaan is gisteren een gedeelte van de romp van de Titanic gelicht. Onder grote ballonen gevuld met dieselolie kwam omstreeks 12 uur 's middags het 12 ton wegend stuk romp langzaam naar boven drijven. Het bleef op 66 meter diepte onder de oppervlakte aan de balonnen hangen. Vandaag zou het op een bergingsschip worden getakeld.

Het stuk romp, met zes patrijspoorten (het gaat om enkele eerste klas compartimenten), zal vervolgens naar Boston worden gebracht. Het is de bedoeling dat het samen met andere voorwerpen van de Titanic die de afgelopen jaren naar boven zijn gehaald, in New York tentoongesteld zal worden.

Tegen het project bestaan grote bedenkingen. Volgens de Amerikaan Robert Ballard, die het wrak op 1 september 1985 ontdekte, is de expeditie van zijn landgenoot George Tullock om het stuk romp naar boven te brengen te vergelijken met “het omploegen van een historisch slagveld”. Ballard wilde slechts via videobeelden of hoogstens een onderzeeboot het wrak tonen aan geïnteresseerden. “Het is duidelijk dat de sponsors van deze expeditie daar een andere kijk op hebben. Ik kan alleen maar hopen dat ze er geen circus van maken en hun activiteiten op een waardige manier uitvoeren, die past bij de herinnering aan het schip en degenen die getroffen zijn door zijn ondergang”, aldus Ballard.

Volgens een woordvoerder van de expeditie wordt het stuk romp op “een verantwoorde wijze” verwijderd. “Wij bewaren op deze manier een stuk geschiedenis en beschermen daarmee het wrak tegen plunderaars.” Tullock heeft via de rechter de wettelijke bergingsrechten op het wrak verkregen. Geïnteresseerden in het lichten van het stuk romp konden voor enkele duizenden dollars een hut huren in twee passagiersschepen die de operatie zouden bijwonen. Wegens andere verplichtingen en vertragingen in het losmaken van het stuk van de romp van de Titanic, moesten de schepen vertrekken voordat de balonnen naar boven kwamen. Aan boord van de schepen waren drie overlevenden van de ramp met de Titanic.

De 46.000 ton grote en 270 meter lange Titanic liep op 14 april 1912, op zijn eerste transatlantische reis, na drie en een halve dag op een ijsberg en verdween langzaam, in twee uur en 40 minuten, onder de oppervlakte van de ijskoude Atlantische Oceaan. Het was een ongelooflijke gebeurtenis, gezien de enorme publiciteit die het grootste passagiersschip 'ooit', dat bovendien onzinkbaar zou zijn, had gekregen. Passagiers en bemanning van de Titanic verdeden ruim een uur van de tijd die beschikbaar was voor het verlaten van het schip, omdat ze niet wilden geloven dat er iets ernstigs was gebeurd. Ook de leiding van het schip leek dat te denken, want een opdracht aan de passagiers om in de reddingboten te gaan bleef uit. Pas na twee uur werd duidelijk dat zich een ramp voltrok. Van de 2.200 mensen aan boord vonden 1.500 de dood. Een vrachtschip dat in de buurt van de Titanic stillag voor een ijsbarrière negeerde een achttal vuurpijlen dat door de bemanning van het passagierschip werd afgeschoten. Pas in 1992 werd vastgesteld dat kapitein Stanley Lord van de 'Californian' weinig had kunnen doen om de passagiers van het zinkende schip te redden omdat de afstand tussen de twee schepen op het moment van de scheepsramp te groot was. De schepen blijken dertig kilometer van elkaar verwijderd te zijn geweest.

Dat concludeerde een onderzoekscommissie van het Britse ministerie van Verkeer, die na het opsporen van het wrak op verzoek van toenmalig minister Cecil Parkinson een nieuw onderzoek was begonnen naar de gebeurtenissen van 14 april 1912. De in 1962 overleden kapitein heeft zijn hele leven campagne gevoerd tegen verwijten dat hij de Titanic niet had geholpen.

Dat het schip onzinkbaar zou zijn was niet door de reder bedacht. De pers had het verzonnen en verder uitgesponnen. De zogenoemde waterdichte compartimenten waren open aan de bovenkant. Wat de ramp verergerde was een tekort aan reddingboten. Na het zinken van het schip deden veel overlevenden in de slopen weinig moeite mensen uit het water te halen. Tot twee maanden later dreven in zee nog lijken van in zwemvesten gestorven slachtoffers. (AP, Reuter)