De mens is een goddelijk dier; De verzameling van schilder Alphons Freijmuth

De trap naar het woonhuis en atelier van schilder en beeldhouwer Alphons Freijmuth (1940) is hoog, maar bij iedere bocht kan de bezoeker op adem komen. Bij een totem-achtig beeld van Freijmuth zelf bijvoorbeeld, of voor een rijk bewerkt, manshoog Asmat-schild uit Nieuw-Guinea.

Boven is er een witte woonkamer en een keuken vol kunst - eigentijds en etnografisch door elkaar heen. Bestipte aboriginal-boomerangs hangen boven de keukenkastjes, papoea-beelden staan naast een torso van de Deense pre-Cobra beeldhouwer Henry Heerup, een recente collage van Eugène Brands hangt boven een houten krijgersreliëf uit Timor.

Freijmuths eerste kennismaking met etnografische kunst dateert uit het begin van de jaren zestig toen hij een Asmat-tentoonstelling in het Rijksmuseum zag. Die indruk was 'zo onontkoombaar dat het beangstigend was'. Pas na een goede tien jaar begon hij met verzamelen. In zijn recente schilderijen en sculpturen is een duidelijke verwantschap met papoea- en aboriginalkunst te onderscheiden. In het dansende wezen op Animisme bijvoorbeeld, een groot doek dat hij in 1990 bij Steven Lingbeek in Arnhem exposeerde, zijn hetzelfde bruin, okergeel, wit en zwart te herkennen waarmee veel van de Papoea-beelden naast Freijmuths bank zijn beschilderd. Volgens Freijmuth is de overeenkomst tussen een moderne en een etnografische kunstenaar duidelijk. “De mens is een goddelijk dier,” zegt hij. “Hij kan gevoelens en gedachten vastleggen in een beeldende vorm. Als ik in een dor blok appelboomhout aan het hakken sla, gaat dat als het goed is leven.”

Freijmuth kent in zijn verzameldrift geen specialisme, want dat suggereert een programma. Zijn beelden, maskers, schilden en schilderijen komen uit de binnenlanden van Afrika, Australië, de poolgebieden, de jungle van Irian Djaya, de kustgebieden van Nieuw-Guinea. Alles waar de kunstenaar tegenaan loopt en wat voor hem 'schoon en zuiver van expressie is', kan een plaats in zijn verzameling krijgen. “De kunsthistorische context interesseert me niet,” zegt hij. Het is 'het oprechte van de uitingsvorm in etnografische kunst' die hem treft. “De mens is in zijn natuurlijke omgeving veel kwetsbaarder dan in een moderne samenleving. Wie ziek wordt in het oerwoud gaat dood, meestal. De kunstenaar probeert onder andere de angst daarvoor in z'n werk te bezweren. En hem wacht geen andere beloning dan een geestelijke.”