De juiste dosis duivel

Peter Stanford, The Devil. A Biography. Uitg. Heinemann, 302 plus XIII blz, ƒ 64,80

Bestaat hij echt of gaat het om fictie waar je om kunt lachen? Mag je er eigenlijk wel om lachen of loopt het dan slecht met je af? Het gaat over de duivel. De schrijver van The Devil. A Biography is er zelf niet helemaal zeker van, hij begint zijn boek althans met deze vraag, en wijt het ongemakkelijke gevoel dat hem bekruipt als de duivel (Satan, Oude Slang) ter sprake komt, aan zijn roomskatholieke opvoeding. Een sluitend antwoord op de vraag geeft het boek niet, het zoekt zijn kracht in een uitgebreid onderzoek naar herkomst, functie en betekenis van de duivel; het brengt de duivel, zo gezegd, in kaart, vooral dan het geloof in de duivel. Interessant? Zonder twijfel. In veertien hoofdstukken volgt de schrijver Satans make up, te beginnen bij voorstellingen waarin de duivel als het ware nog in de kinderschoenen staat en te eindigen bij een fraaie epiloog over Satan als eeuwig vraagteken. Er staan zelfs een aantal plaatjes in het boek, zodat het ook nog beantwoordt aan wat Alice in Wonderland een goed boek noemde.

Peter Stanford, de auteur (journalist die bij de BBC naam maakte) heeft gezien dat de duivel weer meedoet in het religieuze spectrum van vandaag. Hij beschrijft het geloof erin, het hele en het halve, tot op vandaag, en misgaat zich niet aan theologische oordelen. Satan pikt een graantje mee in het uitgebreide spel van vraag en aanbod op de markt van het Nieuwe Tijdsdenken. Hij gaat rond als een briesende leeuw, lezen we in het Nieuwe Testament, zoekende wie hij mag verslinden. De christelijke kerk heeft het de eeuwen door op die angstaanjagende aanwezigheid gehouden. Lees over de kluizenaars uit de vierde of vijfde eeuw, lees Luther, of Milton, en we bevinden ons in een wereld waarin mensen constant wordt aangeraden op hun hoede te zijn voor de vorst der duisternis. In de eeuw van de Verlichting is het geloof tanende geraakt, maar dat betekent niet dat het opgehouden heeft te bestaan. Het lijkt meer op een soort eb, die vandaag wordt ingehaald door een vloed van goedgelovigheid, van hocus pocus. De duivel doet weer mee, maar nu niet als Apollyon, bekend van de schrikwekkende plaatjes die Gustave Doré ervan maakte voor John Bunyans Christenreis, maar veeleer als thema van en voor een spannende ontdekkingstocht: de duivel gereduceerd tot tovenaar onder de tovenaars, met puntmuts en al.

Zo raillerend dit mag klinken, de ernst verlaat de auteur niet. Hij bespreekt de literaire verbeelding van de duivel, door de eeuwen heen, met zijn fantastische clichés (de kuise maagd als niets vermoedend slachtoffer van Mephisto (met Eva, verleid door de slang als het prototype) maar ook de leerstellige verbeelding, bij voorbeeld van de Katharen. Aan hen danken we de term 'ketter'. Zij deden teveel duivel in hun Christendom. Het reguliere geloof liet God de baas blijven, ook over de Satan en zijn werk, de Katharen maakten van God en duivel twee gelijkwaardige principes, en net als bij sommige gnostische scholen aan het begin van onze jaartelling, zagen ze de wereld als duivelsdomein en dus waren ze tegen 'werelds leven' ('katharos' is in het Grieks 'rein'). De Katharen werden door de inquisitie zo goed als uitgeroeid. Te veel duivel mag niet.

Het gangbare gevecht van de kerk werd echter hoe langer hoe meer een strijd tegen te weinig duivel. Met name het rooms-katholieke leergezag kon van de Satan geen afscheid nemen. Leo XIII bracht in 1884 de tegenstanders van de rechte leer onder de noemer van 'het Koninkrijk van de Satan', volgens hem hoorden daar het Leger des Heils bij, de Baptisten en natuurlijk de Vrijmetselaars. Bijna honderd jaar later wordt er heel wat vriendelijker over dissidenten gesproken, maar - aldus Paulus VI in 1972 - ontkenning van de duivel is tegen de leer van de kerk en van de bijbel. Zoals pater Amorth, een praktiserend exorcist in Rome zegt: als God in de bijbel zegt dat de duivel bestaat, dan bestaat hij, en daarmee uit.

De ontkenning van de duivel is daarom zo gevaarlijk omdat het een truc is die de duivel zelf hanteert, een valkuil waar - alweer - argeloze slachtoffers in donderen. Dat schreef C.S. Lewis al in zijn (indertijd) beroemde Screwtape Letters, waarin de duivel uitvoerig opbiecht dat zijn meest succesvolle verleidingspoging tegenwoordig bestaat in het inprenten in de geesten der mensen dat hij niet bestaat. Lewis maakte er literatuur van, al geloofde hij, denk ik, het wel zelf. Echo's van zijn aanpak vinden we tot op vandaag terug in vrome en goed bedoelde waarschuwingen tegen CD's die duivel zouden indruppelen in de gehoorgang als ze langzaam werden afgedraaid.

Ik heb het dan over de christenheid en de duivel. Stanford laat zien dat de duivel niet in het Christendom begonnen is, het Jodendom was er al eerder mee in de weer, en ook daar is hij niet inheems, maar van buiten naar binnen gekomen. Intussen is de duivel aan zijn tweede leven begonnen, nu niet binnen maar buiten de kerk. Deels uit interessantigheid, denk ik, maar deels ook uit de kennelijk onuitroeibare menselijke behoefte om het kwaad een irrationele oorsprong te verschaffen, een oorsprong met behulp waarvan men zich zelf dan weer kan excuseren: je moet niet bij ons maar bij de duivel zijn. Irrationeel is de menselijke boosheid zeker, de voorbeelden liggen voor het grijpen. Immanuel Kant kon en wilde er niet omheen dat er zoiets als 'das radikal Böse' bestaat dat zich niet laat verklaren. Maar dat is wat anders dan het op het conto van de duivel te plaatsen, of hij nu wel of niet bestaat. Laten we er maar niet aan geloven, dat dat kan.