De eerste losse letters

Alfred Kapr, Johan Gutenberg. The Man and his Invention. Translated from the German by Douglas Martin. Aldershot: Scolar Press, 1996. 317 blz, geïll., ƒ 86,75

Op 12 december 1439 kreeg het rechtscollege van Straatsburg een vreemde zaak te behandelen. Voor hen verscheen Jörg Dritzehn, die ook namens zijn broer Claus optrad. De beide Dritzehns hadden net hun broer Andreas aan de pest verloren, en deze Andreas was tot aan zijn dood partner geweest in een geheimzinnige onderneming, waarvan een zekere Gutenberg de leidende figuur was. Nu Andreas was overleden, eisten Jörg en Claus ingewijd te worden in de speciale 'kunst' waarin Gutenberg en Andreas Dritzehn zich al een paar jaar bekwaamden. Gutenberg weigerde dat. Hij had alleen tegenover Andreas verplichtingen, betoogde hij, en die was hij nagekomen. Met Jörg en Claus had hij niets te maken.

Hoewel buiten Gutenberg niemand enig benul had waarom het nu eigenlijk ging, zag het college geen reden aan het verzoek van Jörg en Claus te voldoen. Gutenberg won de zaak en liet de Dritzehns tandenknarsend achter.

Wat was dat voor een geheimzinnige kunst? Ging het om een procédé dat in Gutenbergs werkplaats was ontwikkeld om spiegels te maken? Nee, betoogt Albert Kapr, in Johan Gutenberg. The Man and his Invention. Alles wijst erop dat Gutenberg toen al een jaar of twee werkte aan de techniek waaraan hij veel later zijn naam zou verbinden: het drukken met losse, gegoten letters.

De drukkunst was in de vijftiende eeuw niet onbekend, maar het ging vrijwel steeds om blokdruk: houten blokken waarop in hoogdruk een complete afbeelding en soms ook een tekst was aangebracht. Gutenberg ontwikkelde een geheel nieuwe techniek. Hij maakte stalen drevels waarop in reliëf één afzonderlijke letter was aangebracht. Voor de vorm van die letter oriënteerde Gutenberg zich op de fraaiste schrijfletters die hij kon vinden. De drevel werd in een koperen plaatje geslagen, waardoor in het koper een afdruk van de letter ontstond. Het koperen plaatje, de matrijs, werd op de bodem van een klein doosje geschoven, en het doosje werd volgegoten met een mengsel van gesmolten lood, tin en antimoon. Na stolling was er een blokje metaal waarop zich in reliëf een letter bevond. Doordat de wanden van het doosje verschoven konden worden, kon de breedte van het blokje worden gevarieerd. Dat was nodig, een m is nu eenmaal breder dan een i. Bovendien werd, om uitvullen van de regel mogelijk te maken, dezelfde letter ook op verschillende breedtes gegoten.

De blokjes konden in regels naast elkaar worden gezet; de regels werden gecombineerd tot pagina's. Van elke letter moest daarom een groot aantal beschikbaar zijn.

De techniek stond en viel bij een hoge graad van precisie. De afzonderlijke letters moesten alle even hoog zijn om een gelijkmatige afdruk te krijgen en de zij- en achterkanten van het blokje dienden volmaakt haaks te zijn om de combinatie tot regels mogelijk te maken.

Voor het eigenlijke drukken bouwde Gutenberg een pers, waarbij hij gebruik maakte van het spiralend mechanisme van de wijnpers. Het zetsel werd met kracht op het papier of het perkament gedrukt. Ook dat was een vernieuwing; bij blokdruk werd het papier op het blok afgewreven. Als het drukwerk was voltooid, konden de letters worden losgehaald en opnieuw gebruikt.

Het duurde bijna twintig jaar voordat dit gehele procédé gereed was, maar het resultaat was verbluffend. De bijbel die Gutenberg tussen 1452 en 1455 in een een oplage van 180 stuks drukte, had niets van een eerste probeersel en ziet er ook nu nog verbazingwekkend perfect uit. Op elke pagina staan twee kolommen van 42 regels. De gotische letters zijn diepzwart en scherp gestoken, de regels kaarsrecht en uitgevuld, de bladspiegel is overal even groot. Op de vijftiende-eeuwers moet deze bijbel een verpletterende indruk hebben gemaakt. Ze zullen ook meteen hebben begrepen welke enorme voordelen dit proces had boven het met de hand kopiëren van boeken. Niet alleen ging het uiteindelijk sneller, ook kon van een gezette pagina een proefdruk worden gemaakt en fouten gecorrigeerd.

Kapr, een historicus en graficus uit Leipzig, publiceerde in 1986 de oorspronkelijke, Duitse editie van zijn boek. Dit jaar kwam een herziene editie in het Engels gereed. Kapr maakte de publicatie zelf niet meer mee, hij stierf in 1995. In zijn boek woekert hij op creatieve wijze met de schaarse gegevens. Hij berekent dat aan het zetten van de B42 - zoals de Gutenbergbijbel bekend staat - een half jaar lettergieten vooraf is gegaan en becijfert dat voor de productie van het boek tenminste twintig man nodig waren, waaronder zes zetters. De totale productietijd raamt Kapr op twee jaar.

Zijn boek gaat over de man en zijn uitvinding, maar het eerste onderwerp krijgt minder aandacht dan het tweede. Daar is een goede reden voor: van Gutenberg is bijzonder weinig bekend. Hij werd omstreeks 1400 in Mainz geboren als Johann Gensfleisch, zoon van een rijke koopman en een winkeliersdochter. Die sociaal gemengde afkomst bepaalde zijn levensloop. De ambten die de vooraanstaande families in Mainz automatisch toevielen, waren voor hem namelijk niet weggelegd. Dat nam niet weg dat Gutenberg, zoals hij zich ging noemen, naar alle waarschijnlijkheid als een patriciër opgroeide en een goede scholing kreeg. Hij moet Latijn hebben gekend en waarschijnlijk studeerde hij aan de universiteit van Erfurt.

Rond 1428 was Mainz het toneel van toenemende spanning tussen de gilden en de patriciërs. De handwerkslieden droegen het meest bij aan de welvaart van de stad, maar in hun streven naar emancipatie werden ze gedwarsboomd door de leden van vooraanstaande families die hun privileges niet wilden opgeven. De gilden kwamen daartegen in opstand, en Gutenberg nam de wijk. Waarheen is onzeker. Kapr speculeert dat het Basel moet zijn geweest, toen het het politieke en religieuze centrum van Europa. Het moet ook daar zijn geweest, vermoedt Kapr, dat Gutenberg zich bekwaamde in fijne metaalbewerking.

In 1434 duikt Gutenberg in Straatsburg op. Drie jaar later voltrekt zich het proces tegen de Dritzehns, en weer een jaar later is hij terug in Mainz, waar de sociale onrust min of meer is bezworen. Hij zet de proefnemingen voort waaraan hij in Straatsburg was begonnen en zeven jaar later verschijnt zijn bijbel. Dat gebeurde onder financieel moeilijke omstandigheden. Hij raakte in conflict met een geldschieter, de rijke Johann Fust, verloor de tegen hem aangespannen procedure en moest toezien hoe Fust en diens schoonzoon Peter Schöffer de drukkerij overnamen. Zeer waarschijnlijk bleef Gutenberg wel bij Fust en Schöffer werken. De hoge kwaliteit van het befaamde psalmboek Psalterium Moguntinum, dat in 1457 bij de drukkerij verscheen, laat volgens de communis opinio onder de grafisch-historici geen andere conclusie toe. In 1465 kende de aartsbisschop van Mainz Gutenberg een bescheiden pensioen toe. Hij stierf in 1468.

Niet bekend

Misschien wel de belangrijke verdienste van Kaprs boek is de heldere tekening van de sociaal-economische verhoudingen waarbinnen Gutenberg moest opereren. Door zijn gemengde afkomst was voor hem geen comfortabel patriciërsleven weggelegd. Tegelijkertijd werd hij zo met dat milieu geassocieerd dat hij op medewerking van de gilden niet hoefde te rekenen. Dat dwong tot een bestaan als relatieve buitenstaander en tot het oppakken van iets nieuws.

Kapr verbindt Gutenbergs inval om met losse letters te werken met het oud-Griekse idee, afkomstig van Democritus, dat de wereld is opgebouwd uit een beperkt aantal kleine deeltjes: de atomen. Dat idee lag ook ten grondslag aan het inzicht dat gesproken taal kan worden beschouwd als een wisselende ordening van steeds dezelfde klanken, en vervolgens aan het inzicht dat die klanken kunnen worden voorgesteld door een beperkt aantal letters. Gutenberg voltooide deze gedachtengang door de letters als fysieke, inwisselbare elementen aan te maken.

Het interessante van die redenering is het evolutionaire perspectief dat geboden wordt: achteraf gezien ligt het idee om met losse letters te werken natuurlijk voor de hand, in werkelijkheid was Gutenbergs brainwave het resultaat van een langdurig rationaliseringsproces. Of liever gezegd, het was een stap daarin. Wie nu om zich heen kijkt ziet dat de taal nog verder in stukjes kon worden gebroken: in bits, in de enen en nullen van de digitale codering. Voor het gedrukte woord maakt dat weinig verschil; vijfhonderd jaar geleden heeft Gutenberg in die ontwikkeling al de belangrijkste stap gezet. Maar de videoclips op MTV bestaan nu ook uit bits, de CD van de Wiener Philharmoniker ook en de plaatjes op Internet eveneens. Bits, zou je kunnen zeggen, hebben de audiovisuele industrie op gelijke hoogte met het gedrukte woord gebracht en waartoe dat leidt zullen we de komende jaren merken.

Dit staat hoe dan ook vast: dankzij Gutenbergs vinding verkocht Erasmus in 1518 in een paar maanden tijd 24.000 exemplaren van zijn Colloquia. De reformatie kreeg zijn beslag door de snelle verspreiding van gedrukte pamfletten. Wetenschap, techniek, vooruitgang - ze werden pas goed mogelijk door het gedrukte woord. Gutenberg heeft de beschaving een onvoorstelbaar grote dienst bewezen. Of de bijdrage van Bill Gates even groot zal zijn is nog een open vraag.