Boodschappen

Katrien was zo vaak met haar moeder naar de supermarkt geweest dat het haar begon te vervelen. Ze haalde koffie en zeeppoeder en mikte dat in het wagentje. Wat moest ze verder doen? Een pak soep en een pot pindakaas halen natuurlijk en die weer in het wagentje stoppen. Er kwam geen einde aan. Macaroni en eieren, lucifers en suikerklontjes, melk en kattenblikjes, ze wist precies waar alles lag of stond.

In de supermarkt was het zo druk dat ze er wel een verkeersagent neer mochten zetten. Een vrouw kwam met haar wagentje de hoek om en botste tegen een ander wagentje. Katrien kreeg ineens een idee.

Al die mannen en vrouwen keken naar de rekken of ze met de grootste aandacht iets kozen. En toch was een karretje gauw zo vol dat het niets leek uit te maken wat erin zat. Bierblikjes gleden over aardappelen. In plastic verpakte kaas lag op een zak kattensteentjes. Daar rolde een blik soep over een netje met grote sinaasappelen!

Als ze er nou eens iets bij deed? Iets kleins misschien, 't mocht niet teveel opvallen. Het was al gebeurd. In een wagentje had ze vlug een doosje thee gedaan. Het was van een man die nadenkend voor het wijnrek stond. Nu doorgaan, er waren genoeg onbeheerde wagentjes van klanten die iets anders uitzochten.

Hier een rol beschuit, daar een pak zout. Gewone dingen moesten het zijn, die iemand altijd wel nodig had. Een blik soep? Kon niet missen. Nu oppassen, haar moeder was klaar, ze ging naast haar staan. Nooit had Katrien met zoveel spanning gewacht. Een stuk of drie wagentjes die ze bij had gevuld waren eerder aan de beurt.

Wacht even, die ene vrouw hield het soepblik een beetje omhoog. Katrien kon haar gezicht niet zien. Ze dacht vast na. Had ze het nou uitgezocht of niet? Toen legde ze het bij haar andere boodschappen en rekende af.

Katrien wipte op haar tenen en keek naar de kassa. De dingen werden stuk voor stuk op de lopende band gezet. Alles werd betaald, de thee, het zout, de beschuit, net of elke klant graag naar huis ging met wat hij niet nodig had.

    • K. Schippers