Weense pers ontevreden met Wernicke's regie van 'Fidelio'; De verstarring van een oratorium

SALZBURG, 29 AUG. Het had dinsdagavond in het Festspielhaus een groots afscheid moeten worden van Sir Georg Solti als operadirigent in Salzburg. Het zou ongetwijfeld een half uur durend ovationeel applaus hebben opgeleverd voor de man die 59 jaar geleden voor het eerst als musicus bij de Festspiele aanwezig was.

Toen, in 1937, zat hij achter de piano als repetitor en asssistent van dirigent Arturo Toscanini. Maar helaas, de 84-jarige Solti, die een halve eeuw geleden in München zijn eerste Fidelio dirigeerde, werd onverwacht geveld door een acute griepaanval. Zijn vervanger was Philippe Auguin, die toch al twee van de zes voorstellingen van de Salzburger Fidelio voor zijn rekening zou nemen.

Auguin werd na afloop van de voorstelling uitgefloten. Maar dat gebeurde niet alleen uit teleurstelling over Solti's afwezigheid. De Franse dirigent, tien jaar geleden nog assistent van Herbert von Karajan, had onvoldoende greep op de Wiener Philharmoniker. De inzetten waren vaak onnauwkeurig en de tempi rommelig. In de finale wist Auguin het orkest, de solisten en het immense koor slechts met de grootste moeite bij elkaar te houden.

Met de Wiener Philharmoniker in de orkestbak blijft er gelukkig ondanks verkeerde inzetten en ongelijkheden genoeg te genieten over. De weelderige vioolklank, de warme blazerstonen deden de dirigent regelmatig vergeten. Ook de zangerscast in deze produktie is, op een enkele uitzondering na, van een hoog niveau. Met een helder kwinkelerende Ruth Ziesak (Marzelline) en een robuuste René Pape (Rocco) als opvallendste stemmen. En de vlijmscherpe maar ontroerende Ceryl Studer (Leonore) en de verwoestende heldentenor Ben Heppner (Florestan) als grote sterren - want ook dat is belangrijk in Salzburg.

Over de muzikale kant van deze Fidelio werd in de Oostenrijkse muziekpers dan ook niet geklaagd na de première een paar weken geleden. Maar des te meer over de regie van Herbert Wernicke (in Amsterdam ondermeer bekend van een succesvolle Blauwbaards Burcht van Bartók, en de minder geslaagde Esmée van Klaas de Vries). De Oostenrijkse critici spreken graag in termen van aanval en de conservatieve Wiener Zeitung hield het deze keer op 'een misdaad tegen Beethoven'.

Wernicke maakte voor deze Fidelio een sobere regie, in een zeer schuin oplopend, zwart en vrijwel leeg decor. Het is alsof de regisseur heeft geprobeerd de vragen die steeds weer over Beethovens opera worden gesteld allemaal opnieuw te beantwoorden. Is Fidelio behalve een revolutie-opera ook een typisch burgerlijk 'Singspiel'? Dan laten we Marzelline toch lekker kleren strijken. Speelt het licht een belangrijke symbolische rol bij Beethoven? Dan leggen we met een bescheiden maar effectieve belichting toch steeds weer nieuwe accenten (angstaanjagend mooi is het begin van Florestans aria in de kerker, die op een compleet donker podium wordt gezongen).

En de belangrijkste vraag: Is Fidelio eigenlijk eerder een oratorium dan een opera? Dan maken we van de finale toch gewoon een oratorium, met de solisten compleet met muziekstandaards op het podium in een rijtje voor het koor. En we laten de schurk Pizarro niet wegvoeren, maar subtiel zijn partituur sluiten.

Vooral dat oratorium-achtige stak de Weense critici. Daarmee maakte Wernicke zich er wel heel gemakkelijk vanaf, vond men. Had het publiek zijn goede geld voor een opera betaald om vervolgens naar een oratorium te moeten kijken? De criticus van de Wiener Zeitung was dan ook zeer verbaasd dat het publiek na afloop geen wanklank laat horen. Maar ook daarvoor had hij een eenvoudige verklaring: murw geslagen door Wernicke's regie.

Er is bij Wernicke geen sprake van gemakzuchtigheid. Vanaf het begin, als Jaquino met muziekstandaards sleept, leidt de opera consequent naar die statische finale. Wernicke heeft voor deze 'oplossing' gekozen omdat hij niet gelooft in de bevrijding waarover Beethoven spreekt. We weten inmiddels wel beter, is zijn conclusie. De oratorium-achtige verstarring beschouwt hij als enige oplossing.

Het is een aardige speling van het lot, of eigenlijk de gelukkige hand van intendant Gerard Mortier, dat een paar deuren verder John Eliot Gardiners uitvoering van Leonore te zien was, die eerder deze zomer ook in het Holland Festival ging. In alle opzichten zijn ze elkaars tegenpolen: Leonore met vaak grimmige en kleurrijke 'authentieke' instrumenten, Fidelio met een warmbloedig modern instrumentarium. De eerste de muzikale voorloper van de laatste (maar volgens Gardiner daaraan gelijkwaardig). De eerste in een concertzaal die tot operapodium is omgesmeed, de tweede op een operapodium dat ten slotte transformeert in een concertzaal. Wat een weelde om die twee zo kort na elkaar te kunnen vergelijken.