Waleson: de bond moet weer vakbond worden

DEN HAAG, 29 AUG. “Dit is het begin van een fusieproces binnen de vakbeweging en niet het eind”, zegt de voorzitter van de Vervoersbond FNV (80.000 leden), Wouter Waleson, over de plannen van vier vakbonden om zichzelf op te heffen en op te gaan in een nieuwe bond met een half miljoen leden.

“Naast een bundeling van vakbonden in de marktsector verwacht ik ook een bundeling in de collectieve sector.” Het grote voordeel van fusie is volgens Waleson, dat binnen één grote vakorganisatie makkelijker menskracht en geldmiddelen zijn in te zetten op die plekken waar ze het meeste rendement opleveren in termen van belangenbehartiging en ledenwinst. De 19 FNV-bonden praten al jaren over samenwerking en herverkaveling van werkterreinen, maar dat heeft er in praktijk niet toe geleid dat daadwerkelijk geld en menskracht wordt overgeheveld van krimpende naar groeisectoren.

“Een fusie moet leiden tot schaalvoordelen”, aldus Waleson. “Die zijn gemakkelijk aan te tonen. Eén bond heeft één voorzitter nodig, waar vier bonden er vier nodig hebben. Met een fusie van vier bonden bespaar je dus sowiezo al vier arbeidsplaatsen op centraal niveau. Ook op andere terreinen leidt schaalvergroting tot meer efficiency: de huisvesting, autoregelingen. Het geld dat daardoor vrijkomt kan worden ingezet voor de directe belangenbehartiging in sectoren. Dat is het kernprincipe.”

Leden vragen om een vakbond, die herkenbaar is op de werkplek. Waleson: “Neem het beroepsgoederenvervoer. Chauffeurs hebben veel met vrachtwachtens, met de ontwikkelingen binnen hun vak, het belang van goede wegrestaurants, de inrichting van de cabine. Daar hebben we als bond wel eens te weinig aandacht aan besteed. Vroeger werden de bondsbladen nog vakbladen genoemd. We moeten meer terug in die richting. De bond moet weer vakbond worden”.

Grotere herkenbaarheid op de werkplek leidt tot meer leden en daardoor tot meer macht. Afgelopen maandag vergaderde Waleson met zijn bondsbestuur. Dat vindt unaniem dat deelgenomen moet worden aan de fusiegesprekken binnen de FNV. In een brief aan de leden van de bondsraad en de 150 werknemers van de bond, gedateerd 26 augustus, stelt Waleson: “Wij zijn voor grotere eenheid in vakbondsland, die kan leiden tot (nog) betere belangenbehartiging en grotere organisatiekracht van de hele FNV en uiteraard ook in het vervoer”. In een samengaan met alleen de Dienstenbond FNV zag Waleson geen heil. Daarvoor was de overlap te gering en konden de beide bonden elkaar te weinig toegevoegde waarde leveren. Maar wel wil de bond meedoen aan een fusie van meerdere bonden.

Drie jaar geleden, op 10 juni 1993, hield Waleson namens zes bonden, waaronder de huidige aspirant-fusiepartners, een toespraak op het FNV-congres, waarin hij pleitte voor “schaalvergroting, in combinatie met grotere herkenbaarheid in de sectoren”. Het aantal bonden zou moeten worden teruggebracht tot zes of zeven.

De huidige voorstellen gaan verder, maar dat vindt Waleson geen probleem. Uiteindelijk is hij net als toenmalig voorzitter André Kloos van het NVV in 1969 voorstander van een ongedeelde vakbeweging. “Het Plan Kloos was radicaal en verstrekkend”, aldus Waleson. “Ongedeeld sta je sterk. Dertig jaar geleden bleek zo'n eenheidsvakcentrale onmogelijk. Het zou ongelofelijk mooi zijn als we die ooit nog eens zouden weten te realiseren. Dat is niet het doel van de huidige fusieplannen, maar kan wel het gevolg zijn”. Ook binnen een ongedeelde vakbeweging worden de leden gegroepeerd in wat Kloos aanduidde als “bedrijfskolommen”. Tussen deze bedrijfskolommen staan echter niet de schotten, die nu wel staan tussen de 19 bonden van de FNV. “De 19 bonden van de FNV zijn autonoom”, zegt Waleson. “In de economie treden verschuivingen op. Bepaalde sectoren komen op, andere krimpen in. Maar de status van de bonden blijft hetzelfde. Daardoor ontstaat scheefgroei binnen de vakbeweging. Bonden die actief zijn in groeisectoren hebben te weinig financiële middelen en menskracht om de organisatiegraad daar te verhogen, terwijl bonden in stagnerende sectoren daar wél over beschikken, maar niet kunnen aanwenden.”

Waleson begrijpt het conservatisme bij een aantal bonden best, maar vindt het schadelijk voor de kracht van de beweging. “Binnen de afzonderlijke bonden wordt geredeneerd: de bond is van ons. Je hebt te maken met een eigen werkorganisatie en met een machtspositie die je in het verleden hebt opgebouwd en niet wilt riskeren. Dat maakt dat je je autonomie niet makkelijk opgeeft”. Zijn eigen bond staat er wat dat betreft niet slecht voor. De organisatiegraad is hoog, met name in het streekvervoer en de haven. En de financiële positie is niet ongunstig. Een echte noodzaak voor fusie op korte termijn is er dus niet. Toch is ook zijn bond in beweging gekomen door de vrijage van de Dienstenbond- en de Industriebond FNV. Beide bonden hebben aangekondigd zichzelf op te heffen en samen een nieuwe bond te vormen. De overige marktbonden hebben nu de keuze: ze kunnen meedoen of vallen af. “Als zo'n fusieproces eenmaal loopt”, zegt Waleson, “dan is het niet meer mogelijk om je tussentijds aan te sluiten. Daarom is het zaak dat alle bonden zich nu beraden op hun uitgangspositie. Wij zijn al geruime tijd voorstander van meer eenheid en schaalvergroting en willen dus meedoen.”