Voetafdruk als schaarse troost; BiBianne zou zwart haar hebben gehad

Geboorte en dood zijn de meest ingrijpende gebeurtenissen in een mensenleven. Wanneer zij vrijwel samenvallen, heet dat perinatale sterfte. Onder deze definitie vallen baby's die na minimaal 24 weken zwangerschap ter wereld komen en doodgeboren worden, dan wel binnen een week na hun geboorte sterven. Tot aan het begin van de jaren tachtig was er voor de opvang van ouders in zo'n situatie nauwelijks aandacht. Daarna drong bij hulpverleners het besef door dat het rouwproces bij de dood van een baby extra gecompliceerd is voor ouders. “Van sommige vrienden hebben we niks gehoord.”

BiBianne werd op vrijdag 15 juni 1996 geboren en redde zo het leven van haar moeder. Zelf kwam ze levenloos ter wereld. Het geboortekaartje dat haar ouders verstuurden, was ook een overlijdensbericht. Op de voorkant staat een voetafdruk van BiBianne - zo compleet en zo klein als een voetje van een baby is na 24 weken zwangerschap. Haar moeder leed aan het Hellp-syndroom, een vorm van zwangerschapsvergiftiging.

Thuis komen de foto's op tafel. BiBianne met haar moeder. BiBianne met haar oma. De ouders praten erover, natuurlijk doen ze dat. De geboorte van hun eerste kind, zo kort geleden nog, houdt hen dagelijks bezig. De moeder: “Sommige mensen in onze omgeving praten er met ons liever niet over. Het gekke is dat dit soms juist de mensen zijn van wie je steun verwacht.”

Op een dinsdag werd zij in het ziekenhuis opgenomen. “In het begin van mijn zwangerschap heb ik nooit vermoed dat het mis kon gaan. Als het kind maar gezond is, dacht ik. Dood? Daar denk je niet aan. Toen we naar het ziekenhuis gingen, dacht ik: ik krijg een pilletje en dan mag ik weer naar huis.”

De vader: “De eerste dagen ging het goed, er was hoop. We hadden haar hartje horen kloppen. Ik dacht wel: dat wordt drie maanden ziekenhuis, dus ik ga die kamer wat gezelliger maken.”

De moeder: “Ik kreeg zo'n pijn. Mijn lever was opgezet. Als dat op andere lichaamsdelen zou overgaan, was het gebeurd met me.”

De vader: “Ze zeiden: je vrouw heeft zo'n hoge bloeddruk. Dat wordt vermoedelijk veroorzaakt door de placenta. Het kind was een soort wachtende bom. Ik zou die vrijdag mijn verjaardag vieren. Maar ik heb iedereen afgebeld.”

De moeder: “Ik had zo'n pijn dat ik dacht: nu moet het afgelopen zijn.”

De vader: “Mij werd vrijdagmiddag verteld dat we het kind zouden verliezen. Ze zeiden: we moeten snel handelen, anders zijn we niet alleen het kind kwijt, maar ook de moeder. Ze probeerden de weeën op te wekken.”

De moeder: “Ik dacht: als het moet, dan maar snel.”

De vader: “BiBianne kwam binnen een paar uur. Toen ik hoorde dat het kind niet te redden was, dacht ik: ik hoef het niet te zien. Het was moeilijk te accepteren dat ze de zwangerschap beëindigden. We moesten voor de ingreep wel toestemming geven, maar ze zeiden: je hebt geen keuze meer. We konden hooguit beslissen om het nu te doen of over drie uur. Ik zat met allerlei vragen. Ik moest nog een jongensnaam verzinnen, we hadden alleen een meisjesnaam bedacht. Moest ik het nog bij de gemeente aangeven?”

De moeder: “Ze hebben het kind meteen op mijn borst gelegd. We konden er de hele tijd naar kijken. Ze hebben foto's gemaakt. Ons kind heeft nog een nacht bij ons geslapen.”

De vader: “Ik had tegenstrijdige gevoelens. Achteraf zeg ik: het is mooi dat we het kind hebben gezien.”

De moeder: “Ik had het niet willen missen. Het was zo'n mooi babytje.”

De vader: “Ik dacht een babykamer te kunnen versieren, maar ik moest een graf uitzoeken. Op de gang kwam ik mijn zwager tegen. Hij had net een zoon gekregen. Die was in de kamer ernaast geboren.”

De moeder: “Ik heb het kind van mijn schoonzus nog niet gezien. Dat vind ik heel moeilijk om te doen.”

De vader: “Mijn familie wist geen raad met de emoties. In de ene kamer konden ze blij zijn, in de andere juist niet.”

De moeder: “Elf dagen later hebben we ons kind begraven. We hebben gewacht tot ik hersteld was. Eén week na de bevalling ging ik naar huis. Dat is heel gek. Een kind verliezen en dan een week later alweer thuis. Ik wilde niet geloven dat ik zo ziek was geweest, dat ze mijn kind niet hadden kunnen redden. Nu geloof ik het soms nog niet. Ik ben verdrietig en soms heel kwaad. Mijn man zegt: ik ben blij dat ik jou nog heb. Zo'n gevoel heb ik niet. Ik ben gewoon mijn kind kwijt.”

De vader: “Ik heb de eerste dagen alles veel meer op een rij kunnen zetten. En ik zag jou beter worden.”

De moeder: “Thuiskomen was moeilijk. Ik werk in het onderwijs, ik had van veel leerlingen spulletjes gehad. We hebben ze in een doos gestopt. Mijn zwangerschapskleding ook. Net als die massa tijdschriften. We krijgen nog dagelijks via de post allerlei aanbiedingen van bedrijven, met van die vrolijke folders. Dat is niet leuk. Ik gooi ze meteen weg.”

De vader: “Ik heb een bedrijf afgebeld waar we al spullen hadden besteld en uitgelegd waarom. Van dat bedrijf krijgen we ook nog steeds aanbiedingen.”

De moeder: “In het ziekenhuis wilden ze het kind onderzoeken. Dat wilden we niet. Zo mooi als ze was, moest ze blijven. Je herkent ons in haar. Familieleden hebben haar ook zo gezien. We kunnen tegen elkaar zeggen: ze zou zwart haar hebben gehad.”

De vader: “Je kunt over haar praten. Ze is iemand geworden.”

De moeder: “Ze blijft ons eerste kind. Ik zal haar nooit vergeten, ook niet als we later meer kinderen hebben.”

De vader: “Nu gaan we twee keer in de week naar de begraafplaats. Ik ben nog bezig een grafsteen uit te zoeken. Dat is moeilijk, deprimerend.”

De moeder: “Voor de begrafenis hadden we gezegd: we willen het knus houden. Maar wie belt, toont belangstelling en mag erbij zijn. Er waren genoeg vrienden en familieleden. Maar van sommige vrienden, van wie we dachten dat het echte vrienden waren, hebben we niks gehoord. Er zijn ook mensen die het niet weten. Die zullen eind september vragen: en, is het er al?”

De vader: “Het omgekeerde kwam ook voor. Iemand die we oppervlakkig kenden, stuurde een brief waarin precies was opgeschreven wat van belang was.”

De moeder: “We hebben 180 kaarten gehad. Ik weet nog precies van wie.”

De vader: “Daar zaten zelfs kaarten bij van mensen die we niet kenden. Het maakt niet uit hoe je reageert, als je maar reageert. Erg vind ik mensen die doen alsof er niets is gebeurd.”

De moeder: “Of mensen die zeggen: het is gebeurd, volgende keer krijg je vast een gezond kind. Dan denk ik: daar gaat het helemaal niet om.”

De vader: “We zitten nu in een fase dat mensen zeggen: laten we er maar niet meer over praten.”

De moeder: “Maar ik wil dat mensen me laten uitpraten. Dat is beter dan dat ze zeggen: het komt wel weer goed.”

Voor het geboortekaartje schreef de vader enkele gedichtjes. Op de voorkant staat:

Je zag ons niet meer

maar wij zagen jou

Je voelde ons niet meer

maar wij voelden jou

Hoe jij, zo mooi

bij ons lag

Vergeten wij nooit

al was het slechts 1 dag