Moslimleiding mede schuldig aan 'Srebrenica'

Waar blijft het bewijs voor genocide in Srebenica, vroegen René Grémaux en Abe de Vries zich onlangs in deze krant af. Wim Notenboom diende hen van repliek. Grémaux en De Vries verwijten hem blind te zijn voor de (mede-)verantwoordelijkheid van de moslimleiding voor de tragedie rond Srebrenica.

In ons “verraderlijk” artikel ('Waar blijft het bewijs voor genocide in Srebrenica?') beweerden wij met een “bedrieglijk vertoon van documentatie” dat over Srebrenica het laatste woord nog niet is gesproken (NRC HANDELSBLAD, 18 juli). Dat is Wim Notenboom met terugwerkende kracht rauw op de maag gevallen. Zijn reactie ('Moslims stierven niet in reguliere gevechten', 15 augustus) kan bondig worden samengevat. Wie waagt te twijfelen aan het alom geproclameerde simpele goed/fout-schema is politiek corrupt en bedrijft Servische propaganda.

Politiek corrupt, dat is de kwalificatie die Notenboom gebruikt voor de opleiding op het Centrum voor Vredesoperaties (CVV) van de landmacht, waar wij in de beginfase werkzaam waren. “Een instructie waarin de formele VN-regel te velde zodanig is omgekeerd dat een materiële stellingname zowel versluierd als gerechtvaardigd is”, schrijft hij. Een bewering die in ieder geval niet wordt ondersteund door vertoon van documentatie. Feit is immers dat het merendeel van het Dutchbatpersoneel zich helemaal nooit op het CVV heeft gemeld, voor welke instructie dan ook. De blauwhelmen werden opgeleid, ongetwijfeld geheel onpartijdig, door de Luchtmobiele Brigade zelf.

Hoewel Notenboom met zijn naar karaktermoord neigende betoog vooral zichzelf in diskrediet brengt, mogen ook enkele andere van zijn vele beweringen niet onweersproken blijven. In het gewraakte artikel hebben wij aanwijzingen op een rij gezet, die doen vermoeden dat de vermiste mannen van Srebrenica in meerderheid niet door executiepelotons zijn doodgeschoten. Daar was alle reden toe, gezien het verbazingwekkende gemak waarmee ook in de Nederlandse media werd gesproken van “de duizenden vermoorde moslims van Srebrenica”. Of de gevechten tussen de wegtrekkende moslims en de Bosnisch-Servische troepen 'regulier' waren, daarover deden wij geen uitspraak.

Notenboom noemt terecht enkele factoren die in het nadeel van de moslims waren, zoals hun lichte bewapening, hun gebrek aan logistiek en geneeskundige verzorging, het moeilijke terrein en de mijnenvelden. Zij konden daar echter een numeriek overwicht tegenover zetten, iets waarvan de Serviërs op de hoogte waren en dat zij vreesden. Notenboom toont zich in al zijn naïviteit geschokt over het feit dat de Servische troepen hun voordelen verwoestend hebben uitgebuit. Maar had hij óók niet verontwaardigd moeten zijn over de beslissing van de moslimleiding dit risico maar op de koop toe te nemen?

Volgens de Servische journalist en cameraman Zoran Petrovic, die Notenboom in een ander verband zo instemmend citeert, hebben de Bosnische Serviërs bij Srebrenica “ongekend zware verliezen geleden” (Algemeen Dagblad, 11 oktober 1995). Bij het gevecht ten zuiden van Zvornik waarover wij spraken, zijn 80 leden van een speciaal Servisch commando omgekomen. Is dat een 'schermutseling'? Liever, en in navolging van NRC Handelsblad (26 augustus 1995), laat Notenboom Petrovic zeggen dat de Servische troepen “in totaal 2.000 moslims hebben afgemaakt”. Petrovic heeft echter tegen een van ons verklaard dat zijn uitspraak sloeg op het aantal in gevechten omgekomen moslims (zie De Groene Amsterdammer, 13 maart).

Ook wat betreft berichten in de media over massa-executies treft een op ons gerichte pijl geen doel. De verhalen uit Servische bron over slachtpartijen in een school en op een sportveld in Bratunac verschenen ná de geciteerde berichten over gevechten. De vermeende massamoorden in Bratunac komen in de aanklachten tegen Karadzic en Mladic ook niet voor, mede omdat ze al direct door een Nederlandse officier werden ontzenuwd. Waarom vermeldt Notenboom dit niet?

Verder zouden wij om geheimzinnige redenen de anonimiteit van een getuige van massa-executies hebben geschonden. Maar de bedoelde getuige heeft zich sinds vorig najaar met naam en toenaam door diverse grote kranten en televisiestations laten interviewen en filmen. Gaat het tribunaal wel zo zorgvuldig om met het gunnen van anonimiteit aan getuigen, zoals onze opponent beweert?

In de hele discussie blijft onbesproken dat toch zeker een deel van de verantwoordelijkheid voor de tragedie bij de moslimleiding ligt. Volgens een overeenkomst gesloten op 12 juli tussen vertegenwoordigers van moslims en Serviërs, zouden alle dienstplichtigen uit Srebrenica die hun wapens afgaven en zich aansloten bij de burgerbevolking worden behandeld als burgers. Wie dat niet deed, was een 'rebel' en dus een vijand.

Natuurlijk, bij veel mannen uit Srebrenica bestond een alleszins concrete angst voor overgave, al was het maar vanwege de ongeveer 1.200 doden die aan Servische zijde vanaf voorjaar 1992 in en rond Srebrenica zijn gevallen. Kravica en andere Servische dorpen langs de vluchtroute waren in de winter van 1992/'93 het toneel van slachtpartijen. In een interview in Slobodna Bosna (14 juli 1996) beschuldigt het Bosnische dissidente parlementslid Ibran Mustafic (de oprichter van de SDA in Srebrenica) de machthebbers in Sarajevo en Srebrenica er dan ook van zélf de rampspoed over de bevolking van Srebrenica te hebben afgeroepen. De opdracht om vanuit de enclave stelselmatig terreuraanvallen op omliggende Servische dorpen uit te voeren, maakte zowel militairen als burgers tot gijzelaars van de eigen criminele leiders.

Diezelfde aanvoerders waren vorig jaar juli overigens niet meer in de enclave aanwezig. Zij die daar nog wel waren hebben begrijpelijkerwijs alles op alles gezet om uit Servische handen te blijven, en in die (zelfmoord)poging hebben ze duizenden mannen meegesleept.

Wij zouden, beweert Notenboom, het genocidale karakter van de Servische campagne onvoldoende onderkennen. Wij vragen ons echter af waarom de door Notenboom gehanteerde juridische omschrijving van het begrip 'genocide' niet ook wordt toegepast (door bijvoorbeeld het Joegoslavië tribunaal) op andere moorddadige acties, plannen en ideologieën in de Bosnische en Kroatische oorlog. Zolang dat niet gebeurt, heeft het woord 'genocide' voor ons een bijzonder kwalijk politiek bijsmaakje.

Men bedenke dat de Serviërs minstens 25.000 vrouwen, kinderen en bejaarden (de enige echte burgers) per bus naar Kladanj hebben gebracht. Gedeporteerd, zo u wilt. Maar hoezeer de onschuldigen onder alle partijen ons medelijden en onze solidariteit ook verdienen, en hoe terecht het tribunaal ook probeert om Serviërs te straffen die zich aan overkill hebben bezondigd en die weerloze gevangenen hebben vermoord, voor genocide in de klassieke betekenis kan men nog steeds beter terecht in het Europa van de jaren '40-'45.

Hoe nu verder met 'Srebrenica'? Het is zaak om de onderste steen boven te krijgen, ondanks de weinig coöperatieve houding van de VN en Frankrijk, en wellicht ook van het Nederlandse ministerie van Defensie. Een parlementair onderzoek naar de toedracht laat al veel te lang op zich wachten, gelet op de speciale band die Nederland met Srebrenica heeft. Een en ander mag toch niet spaak lopen op tegenwerking uit het buitenland.

Wèl bepleiten wij een onderzoek dat veel verder gaat dan de toedracht rond de val alleen. Het drama Srebrenica moet vanaf het begin van de oorlog nauwgezet in kaart worden gebracht, want zonder kennis van de voorgeschiedenis blijft de val onbegrijpelijk. Wat moslims melden zou systematisch vergeleken moeten worden met wat hun Servische tegenspelers naar voren brengen.

Zo'n werkwijze stelt echter hoge eisen aan de onderzoekers. En hier wringt misschien de schoen. Want al die Notenbooms, met hun voor ons allang niet meer opvallende partijdigheid en hun hang naar een simpele verdeling in goed en kwaad, zullen vermoedelijk wel nimmer wegwijs worden in het Bosnische doolhof, met zijn talloze valkuilen en dubbele bodems. Hun motto is immers: 'Als de hele wereld iets beweert, hoef ik het zelf niet meer te onderzoeken en er over na te denken'.