MARTIN DISLER 1949 - 1996; Meester op doorreis

In 1980 publiceerde Martin Disler het boekje Bilder vom Maler, met korte verhalen, gedichten en een gefingeerd interview. “Waarom maak je in vier dagen vierhonderdzestig tekeningen?” vroeg de interviewer hem.

“Het is ongelofelijk wat er in de tijd allemaal verborgen zit”, antwoordde de schilder, die eergisteren op 47-jarige leeftijd aan een hersenbloeding overleed. “Waarom moet ik erover denken het rustiger aan te doen? Hoe sneller de tekeningen tevoorschijn schieten, des te geiler is de roes. Het is een roes van de ogen. (-) Zoveel zien als mogelijk is, steeds meer zien, steeds meer bij elkaar zien, het houdt niet op, dagenlang, en het lichaam loopt synchroon mee met wat ik zie.”

De tijd van de klok was geen werkelijkheid voor Martin Disler. Hij zag de tijd zoals een van zijn favoriete schrijvers, Max Frisch, deze in een dagboeknotitie heeft omschreven: als 'een hulpmiddel van ons voorstellingsvermogen, een zich ontrollen dat ons na elkaar laat zien wat eigenlijk een in-elkaar is, een tegelijk dat wij evenwel niet als zodanig kunnen waarnemen, net zo min als de kleuren van het licht wanneer de stralen ervan niet gebroken en ontleed zijn'.

Voor Disler ging het erom dat 'tegelijk' zichtbaar te maken, dat beschouwde hij zijn missie die hij uitvoerde op linnen, papier, in steen en koperplaten, met verf, inkt, potlood, met klei en met woorden.

Zijn materiaal was voor hem wat het marmer was voor Michelangelo: er lagen beelden in verscholen die hij eruit tevoorschijn moest halen. Alle middelen greep hij aan om dat te bereiken en het belangrijkste instrument was de beweging van zijn lichaam. Met grote en kleine gebaren, strelend, slaand en met voetenwerk bracht hij de beelden uit het duister in het licht en ze weerspiegelden zijn furie en tederheid.

Daar zijn schitterende werken uit voortgekomen, Disler wordt al jaren gerekend tot de belangrijkste kunstenaars van Zwitserland en als schilder kan hij zich naar mijn mening meten met grootmeesters als Pollock en Bacon. Zijn omvangrijke oeuvre, waarvan in Nederland in 1983 in het Groninger Museum schilderijen te zien zijn geweest en in 1988 in Museum Overholland werken op papier, bestrijkt vele terreinen van de beeldende kunst, zoals hij ook meerdere vormen van schrijven uitprobeerde.

Ieder medium en iedere techniek was voor hem een uitdaging die hij aan moest gaan om steeds weer nieuwe ingangen te kunnen vinden, openingen die hem iets zouden onthullen van de krachten die in de materie verborgen zitten en in de geest die erin door probeert te dringen. Hij gaf wat hij zag weer als een krioelen van menselijke figuren, gestaltes die zowel mannelijk als vrouwelijk, dierlijk als plantaardig konden zijn en tegelijk boosaardig en verheven, lijdend en liefhebbend.

Niets heeft een vaste vorm bij Disler en geen emotie is eenduidig. Wat begint als een liggende figuur kan al snel een boot worden, en de pluimen van een vogel kunnen tegelijk de vingers van een hand zijn. Vooral op zijn schilderijen is alles voortdurend in beweging, loopt naar elkaar toe of keert zich van elkaar af, langzaam of snel afhankelijk van het ritmische gebaar van de schilder. Die verschillende ritmes kunnen iedere centimeter van de vaak zeer grote doeken laten vibreren als een membraan en ieder plekje van de afgebeelde figuren opladen met emotie.

Martin Disler laat een oeuvre na dat het leven weergeeft als een ononderbroken proces van uiteenvallen en zich weer samenvoegen, sterven en weer geboren worden. Het is veelzeggend dat hij zichzelf, iedere creatuur zag als een voorlopige vorm, een passant, op doorreis in een tijd die geen einde kent.