Lijken uit de oude doos

In de Deense stad Silkeborg zijn bijna alle Europese veenlijken bijeengebracht, de meeste zo'n 2000 jaar oud. Elders op Jutland is te zien hoe deze verre voorouders leefden in lemen hutten - samen met knorrende biggetjes.

Ansigt til ansigt med din fortid. Tot en met 31 oktober in het Silkeborg Museum, Hovedgarden, Silkeborg, Denemarken. Tel. 0045/868.214.99. Dagelijks open van 10 tot 17 uur, toegang 40 Dkr. (ca. ƒ 12,-)

Hjemsted Oldtidspark. Vlakbij het Zuid-Deense plaatsje Skaerbaek (tegenover het eiland R⊘m⊘). Dagelijks open van 10 tot 17 uur. Toegang 40 Dkr, kinderen tot 12 jaar 25 Dkr.

Een zwart, verschrompeld lichaam ligt in een doodskist. De klep staat open, de kist is afgedekt met glas. Naast het lichaam ligt op het witte laken een rode vlecht, die kennelijk heeft losgelaten. De dode vrouw is een skelet met eromheen gevouwen zwart vel. Ze kijkt omhoog met zwarte ogen, de mond hangt open. Bij het linkerbeen is het bot zichtbaar. Het lichaam van de Haraldskaervrouw is ruim 2000 jaar oud.

Ansigt til ansigt med din fortid, 'Oog in oog met uw verleden', heet de expositie in het Deense Silkeborg Museum waarin de meeste van de bewaard gebleven Europese veenlijken worden tentoongesteld. Weinig is bekend over deze prehistorische voorouders - een paar spelden, resten van boerderijen, wat zwaarden en enkele Romeinse teksten. Maar in Silkeborg kijk je ze recht in het gezicht.

De veenlijken zijn gevonden in het veengebied dat loopt van Ierland via Engeland, Noord-Nederland en Noord-Duitsland naar Denemarken. Het feit dat menselijke lichamen in het veen duizenden jaren betrekkelijk ongeschonden bewaard blijven, is vooral te danken aan de hoge zuurgraad van het veen en het lage zuurstofgehalte. Afhankelijk van het soort veen waarin de lijken hebben gelegen, blijven vooral de zachte lichaamsdelen (hoogveen) of de botten (laagveen) bewaard.

Behalve ongeveer vijftien zwarte lijken waarbij grote delen van de huid intact zijn gebleven, liggen in de vijf zalen in Silkeborg Museum ook losse botten en schedels en bij veenlijken gevonden kledingstukken. Door de grillige werking van het zure veen zit op sommige schedels nauwelijks huid, maar wel een flinke haardos, zoals bij de Osterbyman uit 200 n.Chr., waar het blonde haar in een fraaie 'Zwabische knot' is gevlochten.

Ook de belangrijke collectie van het Drents Museum - vier lijken, waaronder het bekende meisje van Yde en het curieuze paar van Weerdingen - is in zijn geheel naar Jutland overgebracht. Eigenlijk had de conservator van het Drents Museum, Wijnand van der Sanden, de gehele tentoonstelling in Drente willen houden, maar door gebrek aan financiële middelen ging de eer naar Silkeborg. Van der Sande schreef wel de uitvoerige catalogus Ud⊘deliggjorte i mosen, 'Vereeuwigd in het veen', die in september ook in het Nederlands verschijnt.

De uit het veen opgedolven lichamen fascineren om meer dan alleen historische belangstelling. Wie in het gemoedelijke Silkeborg Museum naar de soms halfvergane veenlijken kijkt, kijkt ook de Dood zelf in het zwarte gezicht - met een plukje haar erboven. Het memento mori-effect bestaat vooral wanneer de huid, met alle menselijke plooien en vouwen, bewaard is gebleven. De handen van sommige lijken zijn levensecht, maar al tweeduizend jaar dood. De 'veenskeletten', waarbij alleen botten de tand des tijds hebben doorstaan, zijn aanzienlijk minder confronterend. Een geraamte heeft kennelijk het belangrijkste van zijn menselijkheid verloren.

In het veen kwam de dood zelden vredig: de meeste veenlijken zijn met geweld omgebracht. De bekende Tollundman, in 1950 gevonden vlakbij Silkeborg op tweeënhalve meter diepte in het veen, stierf ca. 220 jaar voor Christus. Zijn onvoorstelbaar goed geconserveerde gezicht - zelfs de baardstoppels zijn uitstekend te zien - lijkt dat van een rustige slaper, tot je om zijn nek het al even goed bewaard gebleven touw ziet zitten waarmee de man is opgehangen. Van het lichaam van de Grauballeman, eveneens bij Silkeborg gevonden en vermoedelijk gestorven rond 55 na Chr., is weinig meer over dan een zwarte 'lichaamszak' van rubberachtige huid. In het museum ligt hij met zijn rechtervoet onder de linkerknie tegen een bergje grond, ontspannen met het hoofd opzij, een soort clownsgrijns op het gezicht. Hem is de schedel ingeslagen en de keel van oor tot oor opengesneden. Ook op de in 1879 in Jutland gevonden Huldremosevrouw, is flink ingehakt. Haar rechterarm is ca. 250 na Chr. net boven de elleboog afgehakt, je kijkt zo in het holle bot. De losse arm ligt er in de Silkeborgse vitrine keurig naast. Haar gezicht toont een gepijnigde gelaatsuitdrukking, het lichaam lijkt ineengekrompen.

Opvallend is dat de meeste veenlijken stammen uit de Germaans-Keltische periode van 500 jaar voor, tot 500 jaar na het begin van de jaartelling. Dat kan geen toeval zijn, denken de meeste geleerden. De veendoden moeten te maken hebben met de toen heersende cultuur in die gebieden. Want als het sterven in het veen toevallig voorkwam, bijvoorbeeld omdat reizigers verdwaalden en van honger omkwamen of door rovers werden vermoord, zouden allicht meer lijken uit latere tijden zijn aangetroffen. Het is waarschijnlijk dat de meeste gevonden lijken in het veen zijn geofferd, of terechtgesteld - als een typisch kenmerk van de prehistorische cultuur in Noord-Europa. Bronnen, rivieren en natte gebieden werden toen vrij algemeen als heilige plaatsen beschouwd, als plaatsen van communicatie met goden en geesten.

Uit de darminhoud van sommige veenlijken blijkt dat ze zaden en fruit hadden gegeten uit het najaar of de winter. Mogelijk werden ze in de winter geofferd aan een vruchtbaarheidsgod, om de komst van de lente te versnellen. De Romeinse historicus Publius Tacitus verhaalt zo rond 100 na Chr. van een Germaanse Moeder Aarde-cultus waarbij slaven werden verdronken. Nadere verklaringen blijven echter gissingen. Want de seizoensgebondenheid is ook te verklaren met de theorie dat alleen lijken die in de winter in het veen vielen, bewaard blijven. In de zomer zou de ontbinding te snel van start gaan. Sommige andere mensen kwamen misschien in het veen terecht omdat ze er werden terechtgesteld als misdadigers of verworpenen. Tacitus meldt dat de Germanen 'lafaards, zwakkelingen en ontuchtigen' smoorden in de modder van hun moerassen. En volgens een andere theorie zouden veel veenlijken doden zijn geweest waarvan de bevolking vreesde dat ze geen rust zouden vinden: slachtoffers van misdaden, zelfmoordenaars. Om te voorkomen dat ze zouden blijven rondspoken, werden ze begraven in de woestenij van het veen.

Als de veenlijken eenmaal uit het veen zijn weggehaald, is de kans groot dat de ze zonder verdere conservering alsnog uit elkaar vallen en tot stof vergaan. De Rendswührenman, gevonden in 1871 in Duitsland, is geprepareerd door hem boven een vuur te roken. De twee veenlijken die in 1904 in het Drentse Weerdingen werden gevonden, zijn voorzichtig gedroogd. En de Tollundman werd ruim een jaar in een looivat gedaan om het looiproces dat in het veen zijn behoud was geweest, te voltooien.

Vrijwel alle veenlijken die ooit gevonden zijn - er zijn ongeveer 1800 vondsten gedocumenteerd - zijn spoorloos verdwenen. Of er is alleen nog een klein stukje van over, zoals de huid van de rechterborst van het Barelermoormeisje, dat op de tentoonstelling in Silkeborg als een zwart stukje leer in een vitrine ligt. Het meisje was in 1784 gevonden in Saksen en delen van haar lichaam kwamen als curiositeit terecht in Petersburg, Göttingen, Hamburg en Kopenhagen. Andere veenlijken werden vermalen tot het wondermiddel 'mumia', dat zou helpen tegen zo ongeveer alle gezondheidsklachten. Andere vondsten werden door de veenarbeiders weer snel ondergeschoffeld, omdat met het waarschuwen van de autoriteiten veel kostbare tijd heenging, die beter aan turfsteken kon worden besteed.

De Haraldskaervrouw heeft haar doodskist - en waarschijnlijk haar lichamelijke integriteit - te danken aan een misverstand. Volgens een oude legende had de Deense koning Harald Blauwtand in de tiende eeuw de vrouw van de Noorse Koning Erik Bloedbijl, koningin Gunnhilde, verdronken in het Jutlandse veenmoeras Haraldskaer. Toen in 1835 in datzelfde veenmoeras het lijk van een vrouw werd gevonden, met stokken erover heen om haar onder water te houden, dachten veel Denen onmiddellijk dat dat Gunnhilde moest zijn. Ze kreeg een fraaie sarcofaag in een naburige kerk. Pas in 1977 werd met de C-14-dateringsmethode vastgesteld dat de Haraldskaervrouw veel ouder was.

Zo verontrustend als de lijkententoonstelling in Silkeborg - al schijnt die sfeer sommige montere bezoekers en hun kinderen weinig te raken - zo vredig is de toestand in het deze zomer geopende Hjemsted Oldtidspark, ongeveer 120 kilometer zuidelijker in Jutland, vlak bij de Duitse grens. Daar is op archeologisch verantwoorde wijze het wonen en werken van de prehistorische Denen gereconstrueerd - precies uit de tijd waarin de huidige veenlijken in de moerassen terechtkwamen. Op basis van lokale vondsten is een dorpje van 2000 jaar geleden nagebouwd.

Een van de lemen hutjes vormt het Ber⊘ringsmuseum, waar je alles mag aanraken: een belevenis voor wie nog nooit eerder een gloednieuw huis uit die tijd is binnengegaan. IJzer is nergens in de hut te bekennen en de muren zitten vol gaten - echt eenvoudig was het boerenleven van het jaar nul niet. Aan een weefgetouw hangt een rood tuniekje, boven de vuurplaat een dierenhuid om de vonken op te vangen die het rieten dak in brand zouden zetten. Potten, schoentjes, krukjes, houten scheppen, leren riemen, bedden met lattenbodems, droogbloemen, potten met graan; alles mag je oppakken en niemand verhindert je een schapenvacht te passen die op het bed ligt. Ook kun je in het park leren boogschieten, of een boomstam uithollen en er in rondvaren. Je kunt kijken naar de smid die messen maakt uit veenijzer. Er lopen knorrende biggetjes rond van het primitieve Mangalitza-ras, en kleine IJslandse koeien die melancholiek naar elkaar loeien.

Ook in het Oltidspark is de dood aanwezig. In het ondergrondse museum zijn in de vloer tientallen gevonden graven gereconstrueerd, afgedekt met een dikke glasplaat. Maar de prehistorisch aangeklede poppen in de graven zien er netjes en vriendelijk uit. Het enige echt gruwelijke in het park zijn het half ontbonden paardenhoofd en de hertenkop die aan staken hangen achter de jagthytte, de jachthut bij de hoek van het terrein waar de boogschietles wordt gegeven.