Jacht en gewasschade (1)

“Jacht vermindert gewasschade niet”, vindt drs. E. Knegtering (22 augustus). Zijn argumenten zijn echter beschamend mager. Men zou die het best kunnen omschrijven met “van hooren seggen lieght men veel”.

Knegtering meent bijvoorbeeld dat faunabeheerplannen pas na de nieuwe Faunawet tot stand zullen komen. Deze bestaan echter al vele jaren; er is geen Wildbeheereenheid die er geen heeft, meestal getoetst ook.

Bovendien kent hij geen literatuur over het verband tussen schade en schadeveroorzakende dieren. Dat is net zoiets als vertellen dat grote aantallen veldmuizen of muskusratten geen schade kunnen veroorzaken omdat hij, oogkleppen op, er geen boekje over kan vinden waarin een verband wordt aangetoond. Jacht op kraaien is “dweilen met de kraan open”. Daaruit blijkt alleen maar hoe schandalig dit probleem uit de hand is gelopen door ernstig verwijtbare laksheid van ondeskundigen.

Ganzenschade, zegt hij ('biologen in België?'), neemt af bij toenemende aantallen. Waarna hij prompt even resoluut als onbegrijpelijk uitroept: “Een algemeen geldend positief verband tussen aantallen dieren en de mate van schade is er dus ook al niet.”

Kort gezegd, het artikel is het zoveelste warrige en tendentieuze (geweer als 'joystick') wanprodukt op dit terrein. Aan de echte basis van de jacht, het volgens het verstandig gebruik-principe oogsten uit populaties, wordt voor de zoveelste keer achteloos voorbijgegeaan.