In Liefde Bloeyende

HET DONDERT EN BLIKSEMT NIET

Mooi weer spelend wordt als donderslag

bij heldere hemel zonneklaar

dat tegen die achtergrond

het decor als foto

op het golfkarton van

een spiegelgladde zee is geplakt

Dat het niet dondert en bliksemt

hoe beelden aarde maken, hoe

de snavel van een vogel met zijn veren

kortgesloten wordt, of hoe

wat woord is tot stof verwordt

Zolang de suggestie zich ontlaadt

in wat tegelijkertijd wordt opgewekt

als een zichzelf bedruipende kaars

in de vorm van een hondje

dat het eigen kaarsvet oplikt

René Huigen (geb. 1962)

De dichter is ook wel eens kermisartiest. Ten slotte is hij er voor het publiek, voor het vermaak en voor de verlakkerij - waar komen die drie idealer samen dan op de kermis? Tussen de cakewalk en de spiegeltent speelt de dichter voor goochelaar. Hij tovert papieren konijnen uit een papieren hoge hoed. Hij propt springlevende konijnen in een kist en de kist blijft leeg. Je ziet iets en je ziet het niet. Het is er en het is weer weg.

Zo'n goochelaar is René Huigen hier een beetje. Het dondert en bliksemt niet heet het gedicht. Meteen in de titel al is er die spanning tussen illusie en werkelijkheid. Het dondert niet..., dat is beeldspraak. Het dondert niet of het waar is, zeggen we. Maar met het dondert en bliksemt niet, daar zijn we ineens beland bij de letterlijke betekenis. Bij de weerman.

Daar wil de dichter ons ook hebben. Mooi weer, donderslag, heldere hemel, zonneklaar - allemaal termen van de weerman. Allemaal in de eerste twee regels. Bijna zijn we geneigd bij de foto en de spiegelgladde zee die daarop volgen te denken aan een zomers vakantiekiekje.

Maar de dichter was al met zijn goocheltruc bezig. Een decor tegen een achtergrond van mooi weer als foto geplakt op het golfkarton van een gladde zee? Dat is als het stoppen van een kubus in een bal in een kegel in een piramide. Terwijl we dachten in de werkelijkheid te verkeren verblindt de dichter ons met illusies.

Dat het niet dondert en bliksemt... zo begint hij zijn tweede strofe. Het gaat nu om weerman en illusie tegelijk, want we zijn op twee verkeerde benen gezet. De werkelijkheid is beeldspraak geworden

Dat het niet dondert en bliksemt

hoe beelden aarde maken...

dat wil zeggen, hoe de beeldspraak weer werkelijkheid wordt. Ze zijn onontwarbaar verweven, ze zitten bij elkaar in de knoop. Betekenis ('de snavel') en vorm (de uitdossing, 'veren') worden kortgesloten. Het woord wordt tot stof. Dat 'stof' staat voor zowel nietswaardigheid, betekenisloosheid als voor stoffelijkheid, realiteit. Alles is uitwisselbaar, synchroon, naar niets verwijzend, hiërarchieloos

Zolang de suggestie zich ontlaadt

in wat tegelijkertijd wordt opgewekt

ziedaar het hele postmoderne arsenaal in een notendop. Het dondert en het bliksemt niet is een brutaal en ook wel geestig gedicht van iemand die laat zien dat hij donders goed weet waar de klepel hangt in de moderne poëzie.

De dichter blijft de bal heen en weer kaatsen tussen woord en stof, tussen beeldspraak en werkelijkheid. Na de donder en de bliksem palmt hij ons in met zulke donder- en bliksemachtige zaken als kortsluiting, ontlading en opwekking. Wat tovert hij, net als we geheel in de ban van de elektriciteit verkeren, als klapstuk uit zijn hoed?

Een kaars.

Iets gewoners is er niet. Toch is het geen gewone en ouderwetse kaars, het is de allernieuwste toverkaars

... een zichzelf bedruipende kaars

in de vorm van een hondje

dat het eigen kaarsvet oplikt

Weer zo'n onmogelijkheid. Zo'n bol in een kubus. Duizelig geworden tollen we in het rond. Wie heeft de kaars aangestoken? Er zijn geen kaarsen die zich zelf kunnen likken. Er zijn geen hondjes die kunnen smelten. Maar wat in de werkelijkheid niet kan, dat kan in de poëzie wel. De dichter is een goochelaar, modern en van alle tijden.

Hij voert hier een truc uit die hij tegelijkertijd uitlegt. Dat is modern. De goochelaar stamt af van de tovenaar. Poëzie is magie. Dat blijft eeuwig. De dichter is de magische schepper van zijn eigen wereld. Hij vraagt van de lezers alleen maar of ze bereid zijn in de ban van het gedicht te blijven, of ze zijn gedicht zolang het duurt niet willen verlaten. Het is de dichter die de kaars ontsteekt, met een aardse oerkracht, de kaars likt zich vervolgens zelf op en wat ziet het publiek? Wat zien wij? Een steeds geringer wordend hondje van kaarsvet. Een speldenknop, uiteindelijk, die zich zelf weglikt. Het verdwijnpunt. Niets.

Keer terug naar het begin.