'Gekke-koeienziekte zal vanzelf zijn verdwenen in 2001 '

ROTTERDAM, 29 AUG. De voorzitter van de Britse National Farmers Union heeft vandaag om een spoedonderhoud met de regering gevraagd na een uitspraak van onderzoekers van Oxford University dat de gekke-koeienziekte in Groot-Brittannië in het jaar 2001 vanzelf verdwenen zal zijn, ook zonder massale slachtingen.

De voorzitter, Sir David Naish, is van mening dat het slachten van 147.000 koeien, waar de Britse regering op aandrang van de EU tegenstribbelend mee instemde, weinig effectief is en opnieuw moet worden overwogen.

De Britse infectieziekte-epidemioloog R.M. Anderson, verbonden aan de afdeling zoölogie van Oxford University, publiceert vandaag met 14 collega's in het wetenschappelijke tijdschrift Nature een onderzoek naar het verloop van de gekke-koeienepidemie in Groot Brittannië. Anderson concludeert dat de epidemie al ruimschoots over haar hoogtepunt heen is. De laatste nieuwe infecties als gevolg van restanten nog circulerend verontreinigd voedsel hebben waarschijnlijk eind 1994 plaatsgehad. De infecties die daarna zijn opgetreden zijn volgens de epidemiologen het gevolg geweest van overdracht van koe naar kalf. Recent is aangetoond dat de gekke-koeienziekte (BSE) optreedt bij ongeveer tien procent van de kalveren geboren uit koeien die binnen een half jaar na de bevalling tekenen van gekke-koeienziekte vertonen. De besmetting van koe op kalf is daarmee te gering om de epidemie met nieuwe infecties in stand te houden.

Tot het jaar 2001 zal de ziekte zich nog bij 14.000 tot 20.000 koeien openbaren. Als koe op kalf transmissie veel voorkomt, voorspellen de onderzoekers 340 nieuwe infecties en 14.000 ziektegevallen van dieren die nu al geïnfecteerd zijn.

De Britse epidemiologen gebruikten moderne statistische methoden die zijn ontwikkeld om het verloop van de aidsepidemie te voorspellen. De berekeningen gaan niet uit van ziektegevallen maar van infecties, houden rekening met de lange tijd die verloopt voordat de ziekte tot uiting komt, met de leeftijdsopbouw van de Britse veestapel en met de vatbaarheid voor de gekke-koeienziekte op verschillende leeftijden. De onzekerheden hebben tot gevolg dat de berekende 221 nieuwe ziektegevallen in het jaar 2000 in werkelijkheid waarschijnlijk zal liggen tussen de 128 tot 3660 zieke dieren.

Politiek van belang is dat de onderzoekers het effect van slachtcampagnes hebben uitgerekend. De voorgenomen slacht van 147.000 koeien louter op leeftijdcriterium zal het aantal nieuwe ziektegevallen slechts met enkele procenten terugdringen. Een betere methode is om alleen dieren te slachten in kuddes waar de BSE voorkwam. Dan is met de slacht van 130.000 dieren een besparing van een kwart van de ziektegevallen bereikbaar.

De grote vraag is hoeveel mensen nog de ziekte van Creutzfeldt-Jakob zullen krijgen door de BSE-epidemie. Volgens Anderson zijn voor 1989, toen de meeste besmettingen door voedsel plaatsvonden, 446.000 geïnfecteerde dieren door mensen geconsumeerd. Daarna zijn er tot eind 1995 283.000 besmette dieren in de menselijke voedselketen gekomen. Anderson laat zich niet uit over de te verwachten ziektegevallen.

Een commentator in Nature, de Nieuw-Zeelandse onderzoeker dr. D. Skegg, vindt het onderzoek een goede reden om de voorgenomen slachtmaatregelen te heroverwegen.

Skegg begint zijn kritiek overigens met de cynische opmerking dat het einde van de gekke-koeienepidemie al eerder is voorspeld: in 1991 stelde het Britse ministerie van Landbouw, Visserij en Voeding dat de gekke-koeienziekte in 1995 verdwenen zou zijn. Maar in 1995 waren er nog 14.000 ziektegevallen.