Een zwerver uit Todi

Hij kwam tot kniehoogte. Vuilnisbakkenwerk, wit met een paar slordige zwarte vlekken. Vel over been, afgezakte schouders, de staart van angst tegen de buik gedrukt. Hij rook naar een versleten kleed. Een zwerver. Misschien verdwaald, waarschijnlijk uit een auto gezet, maar in het huis waar hij was komen aanlopen kon hij niet blijven. “Ik heb geen keus”, zei N. “Als ik daaraan begin, heb ik hier binnen een maand twintig honden. Over een paar dagen neem ik hem mee en drop 'm in de buurt van een dorp.” En dan? “Ja er is weinig hoop. Als een boer hem ziet, schiet-ie 'm dood.”

Een hond uit het dal van Todi. Hij moet zich in leven hebben gehouden met hagedissen, konijnen en een enkele zwak omheinde kip. Eerder een aangeleerde dan een natuurlijke jager. Soms, tijdens een wandeling, sprong hij met vier gestrekte poten rechtstandig omhoog om er, teruggestuiterd op de grond, als een haas vandoor te gaan - geschrokken van een mol of zo. Onvermoeibare atleet, flitsende acceleratie, onnavolgbare zigzag. Wat Dante bedoelde met een cane snello.

Hij bleef in de buurt. Een stuk pizzabrood nam hij keurig aan, maar als je hem wilde aaien dook hij ineen en sloop weg, om je van tien meter te observeren - koppie scheef, één oor gestrekt, het andere geknakt. Eén keer legde hij zijn hoofd op mijn knie, verbaasd over zichzelf nam hij meteen weer afstand. Nu en dan ontsnapte hem een korte blaf. De juiste toonhoogte, niet te schel. Grommen kon hij ook, een sympathiek reuteltje. Iets in zijn ogen verried een zachte inborst. Broeder hond, zou Franciscus hebben gezegd.

Trillend stond hij op de achterbank, meehangend in de bochten. Achterstevoren, om zich de wegglijdende contouren van de Umbrische heuvels voor altijd in te prenten. In de buurt van Florence ging hij zitten en drukte zijn neus tegen het rechterraam, schichtig knipperend naar een colonne sissende vrachtwagens. Even voor Genua rolde hij zich met een diepe zucht als een egel op en droomde van vuurvliegjes en nevelige nachten. Van wagenziekte had hij geen last. De douaniers bleven in hun hok.

“Een vriendelijk beest, ik schat hem anderhalf, twee jaar”, zegt de dierenarts en stoot behendig de naald door het soepele vel. Wurmenkuur en vlooienband, versterkend eitje door het voer. Het stadsbos waar hij nu zijn sprintjes trekt mist de weidsheid van zijn geboortegrond. Geen nood, nieuwe geuren, nieuwe geluiden. Een snel groeiende kring ravottende vrienden. Bij tikkertje kunnen ze hem niet krijgen, ze leggen zich er na enkele minuten hijgend bij neer. Wat wil je, in volle ren een hoek van negentig graden. Daar gaat-ie weer, met hoge sprongen achter een vogel aan. Gisteravond stak hij zijn neus in de wind en blafte tegen de maan.

Tom is het geworden. Niet Todi. Een Italiaan die een zwerver uit het Veluwse bos meeneemt, noemt hem thuis toch ook niet Nunspeet? Zijn ribben steken al minder uit, de staart staat kwispelbereid overeind. Met een beetje duwen gaat-ie zitten en omdat hij in zijn opwinding niet weet welke poot hij moet geven geeft hij ze allebei. Dan valt hij bijna om en moet daar zelf om lachen. Aan de riem voelt hij zich in de klem. Binnenkort gaat hij op beginnerscursus. Een héér hoeft hij niet te worden. Als hij na tien lessen maar komt als ik roep.

    • Charles Coster