Een behulpzame geest van onbestemd formaat; De kabouter leeft

Piggelmee, Paulus de Boskabouter en Pinkeltje blijken even onverwoestbaar als de tuinkabouter van plastic. Voortgekomen uit Germaans volksgeloof voelt de kabouter zich in de harten van de moderne jeugd evenveel thuis als in de rekken van de souvenirwinkels. Tentoonstellingen in Hoorn en Zwolle bieden overzicht op een raadselachtig cultuurverschijnsel.

'Kabouter Piggelmee en zijn vrienden'; t/m 5 september, Broerenkerk, Broerenkerkplein, Zwolle; ma t/m za 11.00-17.00 uur; do avond 19.00-21.00 uur; zon 13.00-17.00 uur. Toegang gratis.

'Paulus de Boskabouter'; t/m 27 oktober; Museum van de Twintigste Eeuw, Bierkade 4 & 4a, Hoorn.

'Kabouters en boomgezichten'; 30-31 augustus & 1 september; 11.00-17.00 uur; Dilian's kabouterwereld, Sweelinklaan 98, 's Gravenzande.

Op het hoogtepunt van de Industriële Revolutie, temidden van mondiale mechanisering en technologische triomfen, werd in 1894 bij de gloednieuwe Rijksoctrooiraad te Berlijn met enig feestgedruis het Duitse Merkartikel nummer 1 ingeschreven: de tuinkabouter. Niemand behoeft zich daarover te verwonderen. Zelfs de knarsende raderen der vooruitgang kunnen nu eenmaal niet verhelen dat kabouters een typisch Germaans verschijnsel zijn, en dat zulks evenzeer geldt voor tuinkabouters.

Het is waar dat in de tuinen van zeventiende-eeuwse villa's in Italië al beeldjes van dwergen werden geplaatst ter opluistering van het struweel, maar dat zijn geen waarachtige kabouters zoals die in het Noordwest-europese zieleleven worden gekoesterd. Ook de marmeren mini-Bacchus op de rug van een schildpad in een perkje van het Palazzo Pitti, heeft niets te maken met 'onze' kabouter.

Niet dat het eenvoudig is om te bepalen wat die Germaanse (of zouden we 'arische' moeten zeggen?) kabouter precies is. In het Noordwesteuropese volksgeloof zijn ze sedert de Middeleeuwen traceerbaar, maar over de vraag of kabouters nu behoren tot de categorie aardgeesten, aardmannetjes of huisgeesten zijn de antropologen en folklore-kenners het oneens. Vast staat wel dat kabouters niet verward dienen te worden met gewone dwergen, hoewel ze daarmee tegenwoordig iconografisch zijn versmolten (rode puntmuts, witte baard).

Het woord 'kabouter' schijnt Vlaams te zijn (men spreekt daar ook wel over 'kaboutermannekens'), terwijl de Duitsers reppen van 'Kobold', de Denen van 'gaardnisse', de Zweden en Noren van 'tomte', de Britten en Ieren '(hob)goblin' of in algemene zin van 'wee folk' (dat is dan inclusief elfen en feeën). In Nederland zijn voorts de aanduidingen 'alvermannekens' en 'bergmannetjes' (Limburg), 'awelkens' (de Kempen), 'huussen', 'heihussen', 'heiligerkers' en 'meuzelmannekens' (in turfgebieden) bekend. In de scheepvaart werd de naam 'klabouter' gebruikt voor de raadselachtige wezens die 's nachts zeilen en touwwerk kalefaterden, en zich alleen aan de kapitein vertoonden als het schip zou vergaan. Opmerkelijk is dat kabouters het meest opduiken in Noord- en Zuidholland, terwijl de rest van Nederland meer het domein schijnt te zijn van Witte Wieven, heksen, feeën, dwergen, elfen, gnomen, reuzen, en allerhande andere wezens van gene zijde.

Wie trouwens denkt dat de kabouter altijd klein is geweest, vergist zich. Oorspronkelijk was hij een slimme en behulpzame geest van onbestemd formaat die achter de haard of in de daksparren woonde en 's nachts werkzaamheden in stal, keuken of schuur verrichtte. Als beloning zette men wat melk, room of een kom soep voor hem klaar. Maar er waren ook kwaadaardige varianten, die met hun adem mensen doodden, vooral als die het op hun onderaardse schatten hadden gemunt.

De opvatting dat kabouters petieterige wezentjes zijn, stamt in ieder geval uit later tijd (Rien Poortvliet gaf in zijn ophefmakende werk De kabouter uit 1976 de geheel uit de lucht gegrepen standaardmaat van 15 centimeter). Waarschijnlijk was de invloed van de kleine houten afgodsbeeldjes (de 'kobolde') in middeleeuwse huizen aan deze krimp niet vreemd.

Dat kabouters klein zijn geworden, was in ieder geval handig voor de tuinkabouterindustrie, want men moet er niet aan denken dat manshoge gnomen met rode puntmutsen tussen de begonia's komen te staan. De tuinkabouter as we know him bestaat nu meer dan honderd jaar. De allereerste zag in 1874 het daglicht te Gräfenroda, in Thüringen, waar Philipp Griebel destijds een bedrijfje voor terracotta tuinversiering begon dat nog steeds bestaat.

Dat wil niet zeggen dat het leven van de tuinkabouter in de tussentijd over rozen ging. Ook hij kon niet ontsnappen aan de dodelijke zuigkracht van de Duitse geschiedenis. Na de Tweede Wereldoorlog werd de tuinkabouter in de DDR officieel verboden als symbool van alle Germaanse zonden, en in Gräfenroda mocht men slechts in stilte de klei in de mallen gieten, de puntmutsen rood verven en de baard van witsel voorzien. Onherkenbaar verpakt werden de kabouters de grens over gezet in ruil voor harde valuta.

De afkeer van de Boeren- en Arbeidersstaat jegens de tuinkabouter was overigens begrijpelijk. Van oorsprong ging het immers om een ornament voor de buitens der bourgeoisie, en later voor de prieeltjes der burgerij. Maar uiteindelijk was de democratisering van de tuinkabouter niet te stuiten, vooral nadat in 1964 de eerste exemplaren van plastic hun intrede deden. De welvaart bracht meer tuintjes, en meer tuintjes bracht meer vraag naar kabouters. In Duitsland, in België, en niet in de laatste plaats in Nederland.

De tuinkabouter leeft, kortom, en hetzelfde gaat ook op voor alle andere kabouters die in ons land bestaan. Hoewel de opvoedkundige idealen tegenwoordig vooral schijnen te worden overgebracht via Ninja-Turtles, zijn Piggelmee, Paulus de Boskabouter, Pinkeltje nog steeds volop onder ons. Dat bewijzen de uitgaven nog in dit jaar van een nieuw verhaal van Paulus de Boskabouter (Eikeligheden, een vervolg op de klassieker uit 1965 Paulus en de eikelmannetjes) en van het boek Kabouter Spreekwoorden dat Rien Poortvliet nog juist voor zijn dood in september 1995 afmaakte.

Dat de kabouter leeft, wordt ook bewezen op twee thans te bezichtigen tentoonstellingen die zijn gewijd aan het verschijnsel. In het Museum voor de Twintigste Eeuw te Hoorn is een expositie ingericht over Paulus de Boskabouter, die dit jaar zijn vijftigste verjaardag viert, terwijl in Zwolle de Broerenkerk is herschapen in een omvangrijk kabouterdomein. Hier ligt de nadruk op Piggelmee, en dat is geen wonder, want Zwolle herbergt ook de 'Piggelmee Verzamelzaak' en die band heeft ervoor gezorgd dat samenstelster Aranka Meijerink-Wijnbeek van het plaatselijk Stedelijk Museum voor deze tentoonstelling een onbeperkte keuze kon maken uit het Piggelmee-archief van Van Nelle.

Met zijn rode puntmuts, zijn lange witte baard, zijn kneuterige huisje en zijn goeiïge inborst is Piggelmee een archetypische Nederlandse kabouter, en het is waarschijnlijk daarom dat hij sinds zijn debuut in 1920 zo vast is geworteld in ons cultuurlandschap. Half Nederland verzamelde ooit de Piggelmee-inplakplaatjes, er zijn talrijke scholen en peuterspeelzalen naar hem vernoemd, er is een theaterstuk naar hem gemaakt, en generaties kinderen hebben naar zijn verhalen op 45-toeren grammofoonplaten geluisterd.

Piggelmee is een schepping van L.C. Steenhuizen, die tussen 1905 en 1926 hoofdvertegenwoordiger was bij Van Nelle, maar artistieke ambities koesterde die verder reikten dan slagzinnen voor de koffie- en theeverkoop. Enkele van zijn gedichten zijn nog bekroond door het Rotterdamsch Comité ter Behartiging van de Nationale Belangen. Onder het pseudoniem Leopold schiep hij in 1920 het eerste Piggelmee-verhaal, Van het Toovervischje. Het was een advertentie-stunt maar tegelijkertijd een schepping waaraan Steenhuizen 'zijn bloed had gewijd', zoals hij de directie van Van Nelle schreef.

Hoewel bedoeld om het koffie-drinken te bevorderen, had het verhaal een onversneden moralistische boodschap over de slechtigheid van menselijke ontevredenheid en de hunkering naar het onbereikbare. Dit aloude thema, dat men ook tegenkomt in het oeuvre van Hans Christiaan Andersen en Aleksander Poesjkin, werd vertaald naar Nederlandse maat: Piggelmee's levensgezel vrouwtje Tureluur verlangde nóg lekkerder koffie dan die van Van Nelle - en die bestond nu eenmaal niet.

Vanwege het succes verscheen in 1923 het verhaal Hoe Piggelmee groot werd. De illustrator van de twee eerste albums is onbekend, maar vanaf 1936 was het tekenares Nans van Leeuwen die Piggelmee gezicht gaf. Aanvankelijk gebeurde dat slechts in advertenties, maar na de oorlog verschenen de oude boeken in aangepaste spelling met nieuwe tekeningen en in de jaren vijftig nog vier apart uitgegeven verhalen. De belangstelling voor Piggelmee nam een plotselinge vlucht in het begin van de jaren zeventig, niet toevallig na de publicitaire en electorale successen van Roel van Duijns Kabouterpartij. Behalve dat de eerste twee boeken in de oorspronkelijke vorm werden heruitgegeven, zag in 1986 zelfs een nieuw verhaal (Piggelmee bij de Eskimo's) het licht.

Piggelmee is dus ouder dan Paulus de Boskabouter, de schepping die Jan van Oort onder het peudoniem Jean Dulieu een halve eeuw geleden in stripvorm lanceerde. Daartegenover staat dat Paulus en zijn leefwereld veel rijker, spiritueler, en fijngefacetteerder zijn dan de koffiekabouter. Het is niets teveel gezegd dat het Nederlandse geestesleven werkelijk is verrijkt doordat generaties kinderen zijn opgegroeid met de door Dulieu zelf verzorgde radiostemmen van Paulus en van zijn vrienden Oehoeboeroe, Salomon en Gregorius, om maar te zwijgen van de heks Eucalypta. Nauwelijks waren de uitzendingen gestaakt of ons land (nou ja, in ieder geval Ajax) ging bijna ten onder aan patat, drank en vrouwen.

De tentoonstelling in Zwolle biedt een tamelijk breed overzicht van de kabouterwereld, vanaf de eerste correspondentie tussen Steenhuizen en de Van Nelle-bazen over Piggelmee, via Paulus en tekeningen van Rien Poortvliet, tot aan een eigentijds souvenir in de vorm van een exhibitionistische dwerg. Helaas zijn er nauwelijks verklarende teksten, maar iedereen die zijn kinderen (en zichzelf) meer wil bieden dan Nintendo-vermaak kan hier terecht.

Jammer is wel dat geen enkele poging wordt gedaan de kabouter en het geloof daarin als cultuurverschijnsel te duiden. Vandaar ook dat op de expositie kabouters erg gemakkelijk worden vermengd met dwergen, terwijl zij vanuit antropologisch oogpunt veel minder met elkaar te maken hebben dan men op grond van hun geringe lengte zou vermoeden. Dwergen zijn een tamelijk universeel thema, en zij dienen in de folklore en mythologie steeds als tegenstelling van iets groots. De slimme dwerg tegen de domme reus is een motief dat met David en Goliath in de bijbel is te vinden, terwijl wij Klein Duimpje en de Reus kennen, en zelfs in Sneeuwwitje de zeven dwergen vooral een contrapunt zijn voor het grote kwaad van de heks.

De dwerg past daarmee in de polariteit van het menselijk denken zoals George Dumézil, Claude Lévi-Strauss en de structuralisten dat hebben ontrafeld: het rauwe tegenover het gekookte, het harde tegenover het zachte, het walgelijke tegenover het lieflijke, het grote tegenover het kleine, wij tegenover de anderen.

De kabouter is eerder stijlfiguur van bijgeloof dan uiting van werkelijkheidsbegrip of waarheidsopvatting, eerder een regionaal en zelfs lokaal verschijnsel dan een universeel thema. Toch is het opvallend dat de kabouter juist in Noordwest Europa heeft wortel geschoten in de volksverhalen. Dat is hetzelfde deel van het continent waar ook het Protestantisme voedingsbodem vond, de tak van de christelijke religie waar serieus werd nagedacht over de opvatting dat de mens werd geschapen naar het evenbeeld van god. Wel, indien de mens eruit ziet als god, dan kunnen 'de anderen' alleen maar klein zijn, en steeds kleiner worden. De kabouter, kortom, zou wel eens het spiegelbeeld van onze eigen hoogmoed kunnen zijn.