'De èchte speeltuin gaat nooit verloren'

Allerlei formaten wippen, schommels, glijbanen, zandbakken, klimpiramides, waterfietsen, skippy-ballen en trampolines. Ook kun je in de Linnaeushof in Bennebroek gewoon touwtje springen of midgetgolfen. “Wij zijn blijven geloven in het concept van de speeltuin en dat heeft ons geen windeieren gelegd”, zegt de 75-jarige Pieter Grijpstra, die ruim 30 jaar geleden de basis legde voor het bedrijf. “We hebben niet willen meedoen aan de rat-race om ten koste van miljoenen de grootste en sensationeelste attracties te hebben.” Het draait in de Linnaeushof helemaal om de 'actieve recreatie' en het 'sociale contact' tussen ouders en kinderen. Vijfde en laatste deel in een serie over Nederlandse 'pretpioniers'.

Alles beweegt in de Linnaeushof, maar vrijwel geen attractie in 'de grootste speeltuin van Europa' wordt motorisch aangedreven. Op handkracht of door stevig pedaleren worden ouders geacht de meeste van de driehonderdvijftig speeltoestellen zelf draaiende of anderszins in beweging te houden. “Elektriciteit, olie en gas zijn niet onze grootste kostenposten” , zegt de 75-jarige Pieter Grijpstra glunderend, “en aan investeringen in nieuwe attracties zijn wij jaarlijks geen miljoenen kwijt.”

Op zijn rondgang door het lieflijke speeltuincomplex van vijf hectare wijst hij hoe het in deze tijd óók kan: “Bij ons hoef je geen uren in de rij te staan om even vijfenveertig seconden over de kop te gaan, nee, bij ons moet je nog zèlf spelen, de hele dag, tot je ' s avonds in bed tolt, moe maar voldaan, zowel ouders als kinderen.”

De zuurstof in zijn eigen bloed op peil houdend door een boodschappenwagentje met een zuurstofcylinder achter zich aan te zeulen en via een slangetje te ademen, zegt hij: “Ik mag dan niet meer helemaal gezond zijn, ik ben een rijk mens. Ik heb er altijd een beste boterham aan gehad, en de ouders en kinderen die hier komen zie je zichtbaar genieten.” Om zijn gelijk te bewijzen voert hij ons voetje voor voetje langs allerlei formaten wippen en schommels, glijbanen, zandbakken, klim-piramides, waterfietsen, skippy-ballen en trampolines. Ook zijn er hoeken waar je kunt touwtjespringen, steltlopen of midgetgolfen. Het enige wat op de Linnaeushof rookt en lawaai maakt zijn op benzine aangedreven skelters voor wat oudere kinderen: “Die kunnen zo lekker hun agressie uitleven en genieten van waarschijnlijk de laatste dag dat ze nog met hun ouders meewillen.”

Geroerd trekt Grijpstra de verslaggever aan de mouw als hij bij een schommeltje een moeder met kind bezig ziet. De moeder zit op haar knieën, geeft duwtjes en drukt haar kindje bij elke terugzwaai een kusje op het mondje. “En kijk” , trekt hij weer aan de mouw: “Ziet u die jongetjes bezig in de zandbak? Kijk eens wat een mooie mini-draglines met handbediening we voor ze gemaakt hebben, kijk ze eens scheppen! En daar, ziet u die speelgoedtelefooncellen? Die toestellen doen niets, maar de hele dag staan kinderen daar te bellen en te fantaseren. De fantasie is en blijft het mooiste bezit van een kind, dat wij op den duur allemaal dreigen te verliezen.”

Even uitblazend op een terras, met uitzicht op zijn speelweide en genietend van een flesje chocomel, zegt Grijpstra met vochtige ogen: “Is dit niet waarlijk een kinderparadijs? Arm en rijk, blank en bruin, hoog- en laagopgeleiden, iedereen voelt zich hier thuis en kan zich gedurende een dag weer een kind wanen.” Of de Linnaeushof ook werkelijk de grootste speeltuin van Europa is, durft de oude Grijpstra niet te garanderen: “We claimen het al jaren en hebben daar nog nooit een collega tegen horen protesteren, dus moet het wel zo zijn.”

Hoe de Linnaeushof binnen de grenzen van Bennebroek bij Haarlem in vijfendertig jaar uitgroeide tot het huidige complex laat Grijpstra in het bescheiden directiekantoor aan de hand van een reeks dia's zien. Hij zit vol verhalen en wil ze àllemaal vertellen, kinderlijk blij dat er eindelijk iemand is die ze wil horen. Omdat hij niet in de voetsporen wilde treden van zijn vader (een Aalsmeerse middenstander in groenten, fruit en zuivel), werd hij in de jaren dertig agent van politie, een baan die hij ruim dertig jaar aanhield.

De basis voor zijn bestaan als speeltuinondernemer legde hij in 1954 toen hij, nog in uniform, een nieuwe Aalsmeerse attractie bedacht: een op een plateau rondrijdend corso van met droogbloemen versierde mini-praalwagens, permanent opgesteld in een kas met exotische planten. Een en ander was “om centjes te werven” voor het lokale Rode Kruis, wat zoveel geld opleverde (“jaar in jaar uit trokken we duizenden bezoekers à twee kwartjes”) dat hij zijn politiepet aan de kapstok hing en voor zichzelf begon.

Op de Linnaeushof (destijds een bloementuin à la de Keukenhof) liet hij voor vijftigduizend gulden een tropische kas bouwen van 1000 vierkante meter, waarin Grijpstra zijn mini-corso en een verzameling cactussen onderbracht. In de door hem gepachte bloementuin constateerde hij al snel: “Kinderen zijn gauw uitgekeken op bloemetjes, die willen spelen, dus heb ik in 1963 op een zandheuvel een speeltuintje met vijftien toestellen laten aanleggen. En kijk eens aan: het eerste jaar daarna stegen onze bezoekersaantallen van 120.000 naar 160.000, waarna ik het accent helemaal op de ontwikkeling van die speeltuin heb gelegd.”

In hoog tempo tovert Grijpstra de ene dia na de andere op het scherm. Bij kleurige beelden van een indianendorpje, een marmottentuin, kinderboerderij, pony's, fjordenpaarden en een stoomtreintje zegt hij: “Dat hebben we allemaal weggedaan. In de wigwams gebeurden dingen tussen kinderen, en soms ook ouders, die niet door de beugel konden. Van die beesten had je alleen maar last in de vorm van vliegen en stront. En dat stoomtreintje maakte veel te veel rook en lawaai. Toch wilden de mensen een treintje, dus hebben we er nu een die zachtjes op diesel door het park rolt. Na de oliecrisis van begin jaren zeventig heb ik bovendien de tropische kas opgedoekt om er een overdekte speelhal van te maken met lachspiegels, een griezelgrot en speelautomaten. Dat is veel goedkoper in exploitatie, de kinderen hebben er veel meer plezier van en bovendien hebben we zo een all-weather-voorziening gecreëerd, dus snijdt het mes mooi aan drie kanten.”

Gedreven vertelt Grijpstra wat altijd zijn filosofie is geweest en waaraan hij en zijn zoon en opvolger Frits zijn blijven vasthouden: “Vanaf het prille begin heb ik als doelgroep gekozen: gezinnen met kinderen die nog graag met hun ouders een dagje uitgaan, dus zo ongeveer tot twaalf jaar. Ook heeft vanaf het begin voorop gestaan dat ik wilde zorgdragen voor een dagvullend en betaalbaar speelaanbod, verdeeld over secties voor verschillende leeftijdgroepen, zodat de allerkleinsten niet door de wat groteren onder de voet worden gelopen. Daarnaast hebben we bewust gekozen voor 'actieve recreatie' ofwel attracties die door ouders en kinderen zelf in beweging moeten worden gehouden. Het draait hier geheel en al om het sociale contact tussen ouders en kinderen, op samen spelen, creatief en lichamelijk bezig zijn. Ook later hebben we niet willen meedoen aan de rat-race om ten koste van miljoenen de grootste en sensationeelste attracties te hebben. We zijn blijven geloven in het concept van speeltuin, schommels, wippen en glijbanen, en dat heeft ons geen windeieren gelegd. Jaarlijks trekken we nu zo'n 280.000 tot 300.000 bezoekers, die ongeacht hun leeftijd 11 gulden per persoon betalen, dan wel 9 gulden voor groepen van 20 personen of meer. Alle attracties zijn gratis, behalve de skelters en de speelautomaten.”

Met nadruk verzoekt hij vooral ook melding te maken van de lage prijzen voor consumpties en etenswaren: “Kinderen die met een groep komen, kunnen voor 3,50 gulden een smikkelpakket bestellen, bestaande uit een flesje sinas, een frietje en een ijsje. Wie liever eten en drinken van huis meeneemt kan bij ons terecht op een speciale picknick-weide met tafels en banken. En onder alle speeltoestellen hebben we voor tweehonderdduizend gulden aan rubberen matten gelegd, voor de veiligheid, maar ook om de kosten aan het herstellen van het gazon zo laag mogelijk te houden.”

Met cijfers over verdere investeringen loopt Grijpstra niet te koop en ook over omzet en winst wil hij niet meer kwijt dan dat de zaak floreert, dankzij relatief geringe kosten: “We zijn qua bezoekersaantallen ongeveer tien keer zo klein als de Efteling, maar verhoudingsgewijs zijn onze resultaten aanmerkelijk beter. Alle attracties bedenken en maken we zelf. Er zit geen cent vreemd vermogen in deze zaak; alle investeringen financieren we uit winst en reserves.

“Voor mijn privé-leven heb ik nooit veel geëist, niet meer dan een mooie auto en een leuke villa. Tegenwoordig woon ik in een appartement met een weids uitzicht over de bollenstreek. Ik hoef niet zo nodig de bink uit te hangen. Onze overhead is laag doordat we slechts twaalf man vast personeel hebben en daarnaast zo'n honderd medewerkers op afroep, hoofdzakelijk aankomende leerkrachten en studenten van de managementschool in Haarlem. Lastige bedrijfsonderdelen, zoals de horeca en de exploitatie van de skelters, hebben we verpacht. Dat maakt een hele fijne en rustige exploitatie mogelijk, waarbij je je geheel op de hoofdzaken kunt concentreren.”

Zoon Frits, die sinds vijf jaar met zijn echtgenote de directie voert, vertelt dat hij aanvankelijk allesbehalve stond te trappelen om zijn vader op te volgen: “Mijn hele jeugd heb ik in de Linnaeushof doorgebracht, spelend en werkend. Toen ik daar genoeg van had, ben ik jarenlang in dienst geweest van een Amerikaans bedrijf in brandstofregelaars. Pas nadat ik in de buitenwereld had rondgekeken besefte ik wat een prachtige zaak dit is. Mijn eigen zoon Sander studeert management en wil ook eerst wat gaan buitenspelen voordat hij besluit mij al dan niet op te volgen. Dat moet niet dwangmatig gebeuren, je kunt dit werk alleen maar doen als het je hart en ziel heeft.”

Grijpstra senior stemt daar luid mee in: “Ik heb alle jaren dat ik hier zat achttien uur per dag gewerkt, en alle dagen met plezier. Als politieman had ik al grote affiniteit met kinderen, wat niet zo vreemd is, want kinderen zijn ongekunsteld, eerlijk en lieflijk. Ze spreken je aan en praten honderduit al kennen ze je niet. Zou ik een pretpark hebben opgebouwd waar ook opgeschoten jongens en meiden op af waren gekomen, dan liep ik nu krom van de zorgen. De echte speeltuin gaat nooit verloren, daar ben ik zeker van. Telkens worden nieuwe kinderen geboren en al die kinderen willen spelen. Dus laat de kleinen maar tot ons komen.”

Zelf doet Grijpstra senior, naast het geven van gevraagde en ongevraagde adviezen, alleen nog de promotie van het park. Om bezoekers te werven heeft hij in de loop der jaren een netwerk van relaties met VVV's, de spoorwegen, busondernemingen, scholen en collega's van middelgrote toeristische attracties opgebouwd, terwijl hij daarnaast een meester is in het op touw zetten van 'joints' met bladen als Libelle en bedrijven als Albert Heijn: “Zulke partners maken gratis reclame voor ons en verstrekken kortingsbonnen - acties die ons geen cent kosten en voor telkens nieuwe bezoekers zorgen. Zomaar in het wilde weg adverteren levert minder op, dus tel uit je winst.”