COMPLICATIES

Miskraam. Wanneer de baby voor de zestiende week van de zwangerschap wordt geboren, is er sprake van een spontane abortus, een miskraam. Dit komt betrekkelijk vaak voor, soms ook al voordat de zwangerschap was vastgesteld, waardoor vrouwen soms niet weten dat ze een miskraam hebben gehad. Afwijkingen aan de vrucht zijn bijna altijd de oorzaak van de miskraam.

Stuitligging. Op een bepaald moment, tussen de 30ste en 34ste week van de zwangerschap, komt de baby met het hoofd naar beneden in de baarmoeder vast te liggen. Als dat niet lukt, is er sprake van een stuitligging. Bij een 'onvolkomen' stuitligging liggen de beentjes opgeklapt en komen de billen eerst naar buiten; bij een 'onvolkomen' stuitligging 'zit' de baby op de hurken en worden eerst de voeten en de benen geboren.

Kruinligging. Baby's die wel met het hoofdje naar beneden in de baarmoeder zitten, hebben soms toch niet de ideale houding aangenomen. De ideale houding is wanneer het hoofdje op het borstje rust. Is dit niet het geval, dan is er sprake van een kruinligging. Soms is dan een ingreep noodzakelijk. Die is zeker nodig bij een aangezichtsligging en een voorhoofdsligging. Dan is het hoofdje van de baby niet naar voren, maar naar achteren gebogen.

Inknippen. Om de geboorte van het hoofdje te vergemakkelijken kan inknippen en dus vergroten van de vaginale uitgang nodig zijn. Deze episiotomie wordt vrij vaak toegepast, bijvoorbeeld bij een stuitligging. Ook kan inknippen het ontstaan van inscheuren voorkomen. Over de vraag hoe pijnlijk het inknippen is, zijn de meningen zeer verdeeld. Het gebeurt dikwijls tijdens een perswee en die kan de aandacht van het knippen afleiden.

Weeën opwekken. Bij complicaties of wanneer een zwangerschap te lang dreigt te gaan duren, kan worden besloten tot het inleiden van de bevalling. De weeën worden dan kunstmatig opgewekt. Soms is toxicose (zwangerschapsvergiftiging) een reden om de weeën op te wekken. Dit gebeurt meestal door het per infuus toedienen van het hormoon oxytocine. Dit hormoon veroorzaakt de samentrekkingen van de baarmoeder (weeën) en brengt zo de bevalling op gang.

Vacuümverlossing. Als de bevalling onvoldoende vordert of er reden is de geboorte te bespoedigen, kan de vacuümverlossing of vacuümextractie worden toegepast. Een zuignap die is verbonden aan een zuigpomp wordt op het hoofdje geplaatst. Tussen de nap en het hoofdje ontstaat een vacuüm, waardoor het blijft vastplakken en de baby door de vagina naar buiten kan worden getrokken.

Tangverlossing. Een tangverlossing is een snellere methode dan de vacuümextractie en wordt toegepast wanneer meer spoed geboden is. Met twee tangen in lepelvorm wordt het hoofd van de baby naar buiten getrokken. Er zijn verschillende soorten tangen; de tangkeuze hangt af van de mate waarin de baby is ingedaald.

Eclampsie. Ernstige vorm van zwangerschapstoxicose, een van de aandoeningen die door de zwangerschap zelf worden veroorzaakt. Zwangerschapstoxicose komt bij ongeveer een op de twintig zwangere vrouwen voor, vooral bij de eerste zwangerschap. Het woord toxicose ten spijt is een giftige stof in deze situatie niet aangetoond.

Keizersnede. Een ingreep die gewoonlijk onder narcose wordt toegepast. Via een snede in de buikwand en in de baarmoeder wordt de baby operatief ter wereld gebracht. De ingreep wordt in hoog tempo uitgevoerd om de baby zo weinig mogelijk nadelige gevolgen van de narcose te laten ondervinden. Soms is al vooraf duidelijk dat een keizersnede noodzakelijk zal zijn; andere keren blijkt dit kort voor of tijdens de bevalling. Een veel voorkomende reden voor een keizersnede is een te smal bekken van de moeder in verhouding tot het hoofd van de baby.