Boeren pakken vervuiling Maas aan

WANROY, 29 AUG. In het Oostbrabantse Wanroy heeft de boerenstand voor zichzelf een monument van voorspoed en geluk opgericht. De voedersilo's van de Boerenbond zijn er namelijk zo groot als een kathedraal.

Hier ook is het begin gemaakt met de verdere opschaling die de toch al intensieve veehouderij nog intensiever maakt want een maatschap van drie gebroeders heeft er een bedrijf met in totaal 40.000 varkens. Dat zijn Belgische of Oosteuropese toestanden. Hier ook loert het gevaar des te meer van vervuiling van lucht en water. Daar willen boeren in het gebied zelf iets aan doen met het project “Bewust boeren voor een schone Maas” omdat de waterlopen in het gebied lopen naar deze rivier. Het project werd gisteren in een tochtige loods van de Boerenbond gepresenteerd.

De bedoeling is dat de deelnemers zuiniger omspringen met onkruidbestrijdingsmiddelen, die zoals gisteren bleek door de beroepsgroep worden aangeduid met gewasbeschermingsmiddelen. Verder moet de uitspoeling van mineralen naar grond- en oppervlaktewater worden teruggebracht door zuiniger gebruik van mest. “Dit doel wordt”, staat er in de preambule van het project, “nagestreefd binnen de technische en financieel-economische mogelijkheden van de deelnemende bedrijven.” Of zoals een van de inleiders zei: “De boeren moeten ook nog wat te eten hebben.”

Er zijn in Wanroy en in Someren, dat ook meedoet, 54 deelnemers. Dat is volgens projectleider G. Verstappen van de Dienst Landbouw Voorlichting 25 procent van het totaal aantal boeren in het gebied. “Maar dit spreekt zich rond; het zal de werking krijgen van een olievlek.”

In het project wordt samengewerkt met de waterleidingbedrijven, de provincie, de Noordbrabantse christelijke boerenbond NCB, de waterschappen en het departement van landbouw. Zeker de waterleidingbedrijven hebben er baat bij. Immers het uit het water halen van onkruidbestrijdingsmiddelen kost deze bedrijven per jaar ongeveer 200 miljoen gulden. Projecten als het Brabantse zijn er ook in Friesland, Drenthe, Overijssel, Gelderland, Noord-Holland en Zeeland.

In Wanroy werd in het kader van het project op bijna 5 hectare maïsveld geëxperimenteerd met het zo zuinig mogelijk aanwenden van dierlijke mest en van zaaizaadontsmetting (Mesurol). Daardoor verminderde het aantal zogenoemde milieubelastingspunten met de helft. Verstappen: “We hebben daar nu schone maïs. Het onkruid wordt mechanisch verwijderd.”

Op de bijeenkomst sprak ook de vertegenwoordiger van een Overijssels loonbedrijf dat voor de boeren ploegt, zaait oogst en bemest. Op 200 hectare werd in deze provincie het onkruid “geïntegreerd” bestreden. Dat wil zeggen dat er mechanisch werd gewied. “Maar”, sprak de vertegenwoordiger, “helemaal zonder bestrijdingsmiddelen kan niet, want dan groeit er niks.” Een Fries uit Noordbergum: “Dat geldt ook voor het gebruik van stikstof als mest. Als er slechts honderdtachtig kilo stikstof per hectare mag worden gebruikt, zoals in de regelgeving is voorzien, dan krijg je Biafragras en dan zullen de graanschuren van Rotterdam nog eens vele malen groter worden dan ze nu al zijn.”

Een vertegenwoordiger van het Oostgelderse waterleidingbedrijf zei dat voor de meting van de mineralenaanwending op het land een milieulat wordt gebruikt. “Dat is ook voor de boeren van economisch belang omdat ze dan geld kunnen verdienen door minder mest aan te wenden. We hebben goede ervaring opgedaan met een systeem van resultaatbeloning. Voor de kilo's mineralen die ze onder de referentiewaarde van de milieulat blijven krijgen ze 1 gulden. Dat kan oplopen tot tachtig à honderd gulden per hectare. Dat stimuleert behoorlijk.”

De woordvoerder van het drinkwaterwinbedrijf De Biesbosch zei “heel blij” te zijn met het boereninitiatief. “Maar wat gaat de Noordbrabantse christelijke boerenbond doen om ook de rest van de boeren over de streep te trekken?” Voorzitter A. Latijnhouwers van de NCB: “Binnen vijf jaar zal de overgrote meerderheid van de NCB-leden op de lijn zitten van deze pioniers. Natuur, milieu en waterleiding zijn elkaars vijanden niet meer, maar er rest nog één stap verder: we moeten nu óók nog elkaars vrienden worden.”