Begin is nooit begin

Op welk moment is een mens geboren? Als de vroedvrouw de boreling in handen heeft? Of eerder, maanden eerder, eeuwen eerder misschien zelfs, in de genen der voorouders? Guus Middag, vader en poëzierecensent, over 'het mooiste en het wonderlijkste dat het leven te bieden heeft'.

Bij Blokker zag ik in een schap tussen allerlei huishoudelijke artikelen een reeks boekjes staan. Tientallen deeltjes, allemaal onder de titel 'Uw geboortejaar'. Per deeltje werd één jaar behandeld. Het leek me meteen iets waar ik, zonder het te weten, al lang naar had gezocht. Wie zou niet voor ƒ 7,95 willen weten hoe in het jaar van zijn geboorte 'het leven er toen uit zag' en 'wat er toen eigenlijk in Nederland gebeurde', zoals de flaptekst meldde. En verder: 'welke beroemdheden van nú kwamen ook in úw geboortejaar ter wereld?' Het weer, de sportieve hoogtepunten, de mode: op deze 'en vele andere' vragen zou het jaarboekje mij een duidelijk antwoord geven.

Het waren verleidelijke aanprijzingen, die een beroep deden op veel gevoelens tegelijk: de kinderlijke gedachte dat de wereld pas met mijn geboorte was begonnen en er meteen een leuk eerste jaar van had willen maken, nieuwsgierigheid naar de tijd van herkomst, het verlangen ergens bij te horen en in een groter, liefst zinvol verband opgenomen te worden.

Door mijn jaarboekje te lezen zou ik eindelijk weten hoe het leven, en dus ook dat van mij, begonnen was op dat in nevelen gehulde moment van mijn geboorte.

Ik las dat Chroesjtsjov in 1959 Amerika had bezocht. De sjah van Perzië was met Farah Dibah getrouwd. Bij Roelofarendsveen had men een nieuw aquaduct in gebruik genomen. Mijn aandacht richtte zich vooral op de periode zo rond mijn eigen geboortedag, in de heimelijke hoop daar een teken, een zingevende gebeurtenis of een punt van herkenning te vinden: een bevestiging achteraf dat het goed was geweest juist toen ter wereld te willen komen. Maar hier liet mijn geboortejaar het afweten. Onder de vermeldenswaardigheden was er alleen een optreden van Maria Callas in Amsterdam, een week voor mijn geboorte: voor ruim tweeduizend toeschouwers, 'onder wie de prinsessen Beatrix en Irene'. En dan was er nog, toen ik alweer een week oud was, de bekendmaking van de PTT dat er 'in ons land een half miljoen televisietoestellen staan'. Daar moest ik het dan maar mee doen, op zoek naar mijn sociologisch beginpunt. Er bleek eigenlijk niets van enig belang gebeurd te zijn, zo midden in de zomer van 1959, - een zomer die overigens 'met recht fraai genoemd kon worden', dat wel.

Begin is nooit begin - en wie ernaar op zoek gaat, vindt het al helemaal niet. 'Begin is nooit begin': het is een regel uit een gedicht van Willem Jan Otten. Het gaat over de ervaring dat bij het nadenken over wat dan ook, ieder begin weer door een ander begin wordt voorafgegaan. Dat is lastig voor een denkende dichter en ook voor wie in gedachten wil terugkeren naar het moment van zijn geboorte. Dat moment bestaat welbeschouwd niet. Het officiële, door vroedvrouwen en gynaecologen genoteerde tijdstip is arbitrair: zo ongeveer het moment waarop de verlossers de boreling in hun handen kunnen houden. De pasgeborene is dan nog met een navelstreng verbonden met de moeder, en daarmee met een heel verleden dat iedere gedachte aan een begin relativeert.

Het nieuwe leven was er natuurlijk een uur voor de geboorte ook al. En ook al een dag ervoor, toen de weeën begonnen: dat was juist het moment waarop het kind zich nadrukkelijk aandiende. In de achtste maand van de zwangerschap zouden de meeste kleine schoppers het al in hun eentje kunnen redden.

En zo schuift het moment van het mogelijke 'begin' steeds verder terug: via de zevende, de zesde, de vijfde maand naar een omstreden grensgebied, waar de prenatale artsen hun kunsten mogen vertonen, nauwlettend gadegeslagen door de medische ethiek - en de tegenstanders van abortus.

Maar wie eenmaal naar een begin op zoek is, laat zich ook niet meer door het criterium van de levensvatbaarheid weerhouden. Want daarvoor ligt weer een ander begin: het moment waarop een zaadcel een eicel binnendringt. Maar ook die twee cellen dragen ieder voor zich weer een heel verleden met zich mee. Vier voorouders, acht voorvoorouders, zestien, tweeëndertig, vierenzestig enzovoort. Al voordat de twee samengesmolten cellen zich op hun gemak hebben kunnen nestelen, heeft zich een hele stamboom gemeld, een enorme rij voorlopers die zich via de opgeslagen genetische informatie wil meedelen aan het nageslacht. Die voorlopers hebben op hun beurt ooit ergens hun zogenaamde begin gehad, in een of meer hypothetische Adammen en Eva's, die ook weer elders, in een of andere mensachtige, hun herkomst hadden.

Zo beschouwd is het idee van een eeuwige God die ooit gewoon maar eens begonnen is met een kant en klare mens een wonder van eenvoud en overzichtelijkheid. Waar ligt het begin? In den beginne, zegt de Bijbel.

Voor wie daar niet in gelooft, is begin dus nooit begin. En dan is ook 'de geboorte' een rekkelijk begrip. Wanneer is een kind er nu eigenlijk? Bij het eerste opslaan van de ogen? Bij het doorknippen van de navelstreng? Bij de eerste tekenen van herkenning of pas veel later, bij een eerste besef van zichzelf? Of is een mens pas echt een mens als hij zich bewust wordt van de dood? Daar zijn dichterlijke aanwijzingen voor. Jan Eijkelboom zegt in een gedicht:

Een kind vraagt nooit waarom, waartoe het toch op aarde werd geworpen. Daarom en niet omdat het hulpeloos zou zijn verzorgen wij het trouw vereren het als god. Tot het de dood ontdekt en een der onzen wordt.

En dan zijn we niet ver van de gedachte, onder anderen bij Leonard Nolens te vinden, dat ons hele leven in zekere zin één langgerekte geboorte is: we zijn pas klaar voor het leven als we doodgaan.

Elk wezen is zwanger van de dood, wist J.C. Bloem en hij zettte zijn bewering kracht bij met een krasse vergelijking:

Evenals een vrouw, die eens zich gaf baren moet, of ze al dan niet wil baren want het kind is groeiende in haar schoot is elk wezen zwanger van de dood en het voorbestemde doel van 't paren is niet minder dan de wieg het graf.

Zo besloot hij zijn gedicht Insomnia, een treurige voorstelling van het leven als een slapeloze, van doodsgedachten vervulde toestand. Zo kun je het zien. Maar Bloem ging hier wel erg snel voorbij aan ongeveer het mooiste en wonderlijkste dat het leven te bieden heeft, iets dat hij nu juist in die wieg op zijn gemak had kunnen bekijken: een pasgeborene in diepe slaap. Niets dat zo de rust en de onschuld zelve is, volmaakt in zichzelf verzonken. En nog wel meer: wezen uit een andere wereld, door geheimzinnigheid omgeven, levend met een ander, ons onbekend bewustzijn. Het is dat wonder dat aan het ritueel van de kraamvisite ten grondslag moet liggen: men wil het even zien, omdat het nergens anders te zien is, en omdat het na een dag of negen alweer verdwijnt, om plaats te maken voor de eerste menselijke trekjes. Misschien had Bloem, alvorens van de wieg meteen naar het graf te springen, er eens een blik in moeten werpen. Het had hem mogelijk van zijn existentiële slapeloosheid kunnen verlossen.

Maar verder had hij, vrees ik, wel gelijk. De vreemde rust en sereniteit van een slapend kind, de stil toekijkende kring eromheen: het is met niets anders te vergelijken, behalve dan met de rust en de sereniteit van een stervende, langzaam wegdrijvend van deze wereld, wegzinkend in een ander bewustzijn waartoe de kring van wakers geen toegang heeft. Geboorte en dood zijn de twee momenten in het leven die niemand kan navertellen, maar waarop, zo lijkt het, iets zichtbaar wordt dat niet helemaal van deze wereld is: een bewustzijn met een ander tijdsbesef of met een andere definitie van begin en eind.

Misschien zijn het wel, vanuit een ons onbekend standpunt, twee verschijningsvormen van hetzelfde. Aan zo'n wereld raakt Jan Hanlo in een geboortegedicht waarin de volgorde is omgekeerd, maar waarin het omgekeerde zich wel - dat is het geraffineerde - aan een duidelijk plan houdt. 'Wij komen ter wereld, met rouw, uit de graven', zo begint het - en wij aanvaarden, hoewel pasgeboren, 'in ernst en wijsheid de toekomst'. Die brengt ons helende kogels die terugschieten in geweerlopen. We zien onze monden aan tafel volmaakte radijzen baren, terwijl de steenkolen keurig in de mijnen teruggestopt worden. Het is een spel natuurlijk, een variatie op het thema van de omgekeerde wereld, maar Hanlo's serieuze beweringen gaan tegen deze speelse buitenkant in. 'Gaandeweg worden wij steeds meer harmonisch', zo weet hij, en daarbij is een mooie rol weggelegd voor de scholen. Die leren ons alles vergeten en 'brengen de blanke, rustige, plaatsen in onze gedachten'. Zij leren ons op onze oude dag lachen, en eenzaam spelen, alvorens in de moederschoot te verdwijnen. 'Achter ons blijft een verlaten vlakte.'

Grafiek:

Baby's worden doorgaans geboren na circa veertig weken zwangerschap. Zij wegen zes à zeven pond. Dat is een gemiddeld beeld, dat valt af te lezen uit de grafieken van bevallingen onder leiding van verloskundigen. Het beeld bij gynaecologen wijkt enigszins hiervan af, doordat zij zwangerschappen met complicaties begeleiden.